Klik & ontdek: of het helpt om aan ‘namedropping’ te doen

Als je iemand voor het eerst ontmoet, heb je binnen 30 seconden je mening gevormd. Maar die ander óók van jou. Klopt die eerste indruk wel? En hoe kom je zelf zo goed mogelijk voor de dag?

In De eerste indruk ontrafelt Roos Vonk beide kanten van indrukvorming aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en herkenbare voorbeelden. Met haar kenmerkende knipoog en vlotte schrijfstijl verklaart ze de psychologische raadsels van het sociale verkeer.

Hier legt ze uit of het zin heeft om aan ‘namedropping’ te doen:

Zelfpromotie

Als mensen mij vragen wat ik voor werk doe, zeg ik vaak dat ik bij de universiteit werk, zonder nadere specificatie. Zeggen dat je psycholoog bent of hoogleraar kan ongewenste neven-effecten hebben. Nu weet ik dat ik niet altijd even professoraal overkom, maar ik was toch wat van mijn stuk toen iemand een keer vroeg: ‘Werk je daar bij de administratie of zo?’ ‘Nee,’ zei ik zonder een spoor van ontzetting, ‘ik doe onderzoek en ik geef les.’ Ik wilde hem niet in verlegenheid brengen door zijn vergissing in te wrijven. Later vertelde ik het voorval aan een vriendin. ‘Dat vind ik nou zo goed van jou,’ zei ze, ‘dat je nooit opschept over je positie. Want zelf doe ik dat wel!’ Nu was de vriendin in kwestie op dat moment postbode, dus hardop denkend vroeg ik me af waar zij over opschept. ‘Nou, dan zeg ik: “Ik heb een vriendin, die is hoogleraar!”’

Dit is een ontwapenend voorbeeld van wat psychologen basking in reflected glory noemen (je baden in de glorie van een ander): opscheppen over anderen met wie je geassocieerd bent, in de hoop dat hun glorie op jou afstraalt. Mensen die vol trots vertellen dat een beroemdheid uit ‘hun dorp’ komt. Mensen die zeggen: ‘Je moet naar die specialist gaan, hij is de beste. Zeg maar dat ík je gestuurd heb, dan weet hij het wel.’ Ouders die menen dat de bijzondere talenten van hun kinderen uitermate interessante gespreksstof vormen of die zogenaamd ‘bezorgd’ zijn dat hun kind hoogbegaafd is. In al deze gevallen vindt zelfpromotie plaats via een ander, dus indirect. Toen ik er later op doorvroeg vertelde de vriendin dat ze dit wel eens had gedaan in een situatie waar ze zich onzeker voelde, bijvoorbeeld tijdens een etentje met mensen die ze nogal intellectueel en intimiderend vond. Onderzoeksresultaten wijzen er inderdaad op dat mensen indirecte technieken gebruiken wanneer ze het idee hebben dat ze hun prestige moeten opkrikken, bijvoorbeeld na een nederlaag.

Het idee van indirecte zelfpromotie is dat het minder doorzichtig lijkt. Het is meer geaccepteerd om een ander op de borst te slaan dan jezelf, het kan zelfs aardig zijn. Toch is het meestal wel duidelijk wat je bedoeling is, en dan is het effect averechts: je wordt zelf niet competenter of prestigieuzer gevonden, en je wordt bovendien gezien als manipulerend en niet erg sociaal.

Ook namedropping is meestal geen goed idee (‘Laatst zei ik nog tegen mijn goede vriend Matthijs van Nieuwkerk: “Joh Mat”, zei ik, zo noem ik hem altijd…’), zéker niet bij een eerste indruk: mensen vinden het onsympathiek, onbekwaam en manipulatief. Je kunt dan toch maar beter gewoon opscheppen over jezelf, zo blijkt. Dat wordt ongeveer even irritant gevonden, maar heeft in elk geval tot gevolg dat men je hoger aanslaat dan wanneer je opschept over een ander.

Ontdek nog meer:

– Hoe Google de referenties van hun sollicitanten checkt

– Hoe je je eerste date vakkundig kunt laten mislukken

– Of het nut heeft om een handdruk te geven à la Donald Trump (de ‘grip & yank-techniek)

– Of je gezicht betrouwbaar of onbetrouwbaar overkomt

– Of mannen wel écht een grappige vrouw willen

– Welke oerinstincten ons de parten spelen op Tinder

– Hoe je jezelf online het beste kan presenteren