Vers van de pers

Hoe ontwikkel je je talenten?

We leren vaak dat talent is aangeboren. Dat talentvolle mensen moeiteloos dingen doen waar wij alleen van kunnen dromen. Dat is niet waar. Talent begint met een korte maar krachtige ervaring waardoor de vonk van de motivatie overspringt en jij jezelf gaat spiegelen aan mensen die ergens in uitblinken. Die vonk is een kleine gedachte die zomaar in je opkomt en je hele wereld in één klap op zijn kop zet. De gedachte: zo kan ik ook worden.

Daniel Coyle is een van ‘s werelds bekendste talentexperts, en schreef dé gids om je talenten te ontwikkelen. Of je nou een roman wilt schrijven, een nieuwe taal wilt leren of eindelijk echt goed wil worden in tennis: met zijn 51 tips lukt het je. Lees hieronder waarom én hoe hij dit boek heeft geschreven, en download ook vooral de eerste 10 tips uit Ontwikkel je talenten.

*********

Een paar jaar geleden bezocht ik voor een tijdschrift
 allerlei kweekvijvers van talent. Opleidingen die opvallend veel wereldtoppers voortbrengen op uiteenlopende terreinen, van sport en bedrijfsleven tot beeldende 
kunst, muziek, wiskunde en wat al niet meer.

Bijvoorbeeld:
• Een aftandse tennisclub in Moskou die in drie jaar tijd meer vrouwelijke top- 20-spelers afleverde dan de hele VS.
• Een muzikaal zomerkamp in de Adirondacks waar studenten in zeven weken evenveel vooruitgang boekten als normaal in een heel jaar.
• Een school in een achterstandswijk waar de wiskunderesultaten van de leerlingen in vier jaar tijd spectaculair waren verbeterd: vroeger bungelden ze in de ranglijsten altijd onderaan, nu zaten ze bij de hoogste 5%.
• Een zangatelier in Dallas dat de afgelopen tien jaar al voor miljoenen dollars aan poptalent heeft voortgebracht.
• Een skischool in Vermont die nooit meer dan honderd leerlingen aanneemt en 
in de afgelopen 40 jaar al 50 olympische skiërs heeft voortgebracht.

NIEUWE WETENSCHAPPELIJKE INZICHTEN IN TALENT
Mijn onderzoek voerde me ook naar een ander soort kweekvijvers: allerlei laboratoria en onderzoekscentra, verspreid over het land, waar onderzoek wordt gedaan 
naar talentontwikkeling. Eeuwenlang is de mens er klakkeloos van uitgegaan dat talent iets is wat je nu eenmaal hebt of niet, iets wat aangeboren is. Maar een hele trits wetenschappers, onder wie K. Anders Ericsson, Douglas Fields en Robert Bjork, heeft die oude ideeën over talent inmiddels ontkracht. De nieuwe opvatting luidt dat talent niet zozeer afhankelijk is van aangeboren aanleg als van wat we daarmee doen. Om precies te zijn: van de combinatie van motivatie en intensief oefenen die de groei van onze hersenen stimuleert.*

* Waarom de hersenen? Omdat bij de ontwikkeling van een talent alles draait om de hersenen. We praten soms over ‘spiergeheugen’, maar dat bestaat eigenlijk niet. Onze spieren voeren gewoon uit wat onze hersenen ze opdragen. De nieuwe wetenschappelijke inzichten kun je dus zo samenvatten: Wil je je talent ontwikkelen? Stimuleer dan de groei van je hersenen door intensief te oefenen.
Mijn project groeide uit tot een boek,
The Talent Code. Daarin beschrijf ik hoe succesvolle kweekvijvers slim gebruikmaken van de natuurlijke wijze waarop onze hersenen vaardigheden ontwikkelen.

TALENT ONTWIKKELEN IN DE PRAKTIJK
Een onverwacht neveneffect van mijn onderzoek
 was dat ik er zelf ook van profiteerde. Ik ben niet alleen journalist, maar ook vader van vier kinderen, echtgenoot van een vrouw die ijshockey speelt en in 
mijn vrije tijd bovendien honkbalcoach van een juniorenteam. In ons gezin kampen we dagelijks met
 vragen die iedere ouder heeft over het bijbrengen en ontwikkelen van vaardigheden: Hoe helpen we onze 
dochter om de tafels van vermenigvuldiging te leren? 
Hoe onderscheid je echte aanleg van een tijdelijke be
vlieging? Wat is de beste manier om iemand te motive
ren? Hoe kun je je kroost stimuleren om zich ergens in
 te bekwamen zonder dat je verandert in opgefokte voetbalouders die hun kinderen alleen maar ongelukkig 
maken? En wat bleek: mijn onderzoek in die kweekvijvers van talent leverde niet alleen stof op voor mijn journalistieke werk. Het stelde me ook in staat om een 
betere coach en een betere vader te worden.

Dat begon toen ik de eerste kweekvijver bezocht, de Spartak Tennisclub in Moskou. De eerste ochtend dat ik daar kwam, zag ik een rij jonge spelers die in slow-motion met hun racket stonden te zwaaien zonder bal. De leraar gaf ze een voor een aanwijzingen voor kleine verbeteringen. Ik zag dat leerlingen van verschillende leeftijden samen trainden. Ik zag hoe intens geconcentreerd de jonge spelers naar de oudere sterren keken, alsof ze het beeld van hun perfecte forehands en backhands in hun geheugen wilden griffen. En in mijn hoofd begon zich een gedachte te vormen: ik kon hier thuis mijn voordeel mee doen.

Vanaf dat moment schreef ik elk goed advies en elke nuttige methode meteen in mijn notitieboekje en plakte er een roze post-it bij. Ik noteerde tips als ‘nieuwe bewegingen altijd overdrijven’, ‘oefenruimte klein houden’ en − mijn persoonlijke favoriet − ‘veel dutjes doen’. En mijn notitieboekje begon uit te puilen van de roze memo’s.

Al die adviezen bleken goed te werken. Heel goed zelfs, te oordelen naar de snelle en gestage vooruitgang in het viool- en pianospel van mijn kinderen, de prestaties van mijn vrouw op de ijshockeybaan en het wedstrijdsaldo van mijn juniorenteam (tien gewonnen tegen drie verloren, en het door mij gecoachte allstar-team, dat altijd zwak had gepresteerd, haalde ineens bijna het regionale toernooi). Toen The Talent Code was verschenen, kreeg ik reacties van allerlei organisaties die de principes van mijn boek hadden toegepast in hun eigen programma voor talentontwikkeling: een openbare school in Maine, een opleiding voor verpleegkundigen in Minnesota, een golfacademie in Florida, een stoomcursus voor eindexamenkandidaten, een universitair basketbalteam, een softwarebedrijf, organisaties die trainingen voor militaire commando’s opzetten en verschillende professionele sportclubs. Ik bleef rondreizen, kweekvijvers bezoeken, meestercoaches interviewen en post-its in mijn aantekenboekje plakken. En op een gegeven moment besefte ik dat ik al die tips eens op een rijtje moest zetten. En dat heb ik in dit boekje gedaan.

ONTWIKKEL JE EIGEN TALENTEN
Dit boekje is een verzameling simpele, praktische tips voor hoe je ergens beter in kunt worden, allemaal afkomstig van de kweekvijvers die ik heb bezocht en van wetenschappers die onderzoek doen op dit gebied. Alle tips hebben zich bewezen in de praktijk, zijn wetenschappelijk verantwoord en zijn bovenal bondig. Want we hebben het allemaal al druk genoeg. Of we nou leraar of vader zijn, coach of kind, kunstenaar of ondernemer, allemaal willen we onze tijd en energie zo effectief mogelijk besteden. En bij het ontwikkelen van onze talenten kunnen we wel een handboek gebruiken, een gids die zegt: Doe het zo, niet zo. Een supercoach die in je broekzak past.

HOE MOET JE DIT BOEK GEBRUIKEN?
Laten we beginnen met deze twee uitgangspunten:
• Iedereen heeft talenten.
• We weten niet goed hoe we die talenten 
volledig tot ontplooiing kunnen brengen.

Voor de meesten van ons schuilt het probleem vooral in het hoe. Hoe kunnen we talent herkennen in onszelf en onze naasten? Hoe kunnen we dat talent in de beginfase stimuleren? Hoe kunnen we in zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk succes boeken? Hoe moeten we kiezen tussen verschillende strategieën, leraren en methoden?

Dit boek gaat uit van de gedachte dat je je talent het best kunt ontwikkelen met technieken van succesvolle kweekvijvers die zich in de praktijk hebben bewezen. De tips die ik heb verzameld, vallen uiteen in drie categorieën; dat zijn de drie delen van dit boek:

1. Beginnen: ideeën om je motivatie
te prikkelen en een blauwdruk te maken van de vaardigheden die je wilt ontwikkelen.
2. Vaardigheden verbeteren: methoden en technieken om in zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk vooruitgang te boeken.
3. De voortgang vasthouden: strategieën om ervoor te zorgen dat je ontwikkeling niet stokt, dat je gemotiveerd blijft en gewoontes ontwikkelt die bijdragen aan langdurig succes.

Elk deel bestaat uit een reeks tips. Die tips zijn kort: niet omdat ik de zaken versimpel, maar omdat eenvoud juist de kern van de boodschap is. De onderliggende neurologische inzichten zijn complex en fascinerend, maar komen allemaal neer op één simpele kernwaarheid: door kleine handelingen steeds te blijven herhalen worden we een ander mens. In de woorden van zangcoach Linda Septien: ‘Het is geen toverkunst en het is geen hogere wiskunde. Het is een kwestie van keihard werken en slim werken.’

Maar we moeten al dat harde werk wel inpassen in ons drukke leven. Daarom is dit een boekje dat je makkelijk mee kunt nemen – in je broekzak, in een vioolkist of in een sporttas. En daarom vind je achterin een stel lege pagina’s voor je eigen aantekeningen. Wat je ook wilt leren, of het nou golfen is of een nieuwe taal, gitaarspelen of een start-up beginnen, van één ding kun je zeker zijn: je beschikt van nature al over het mechanisme om van stuntelende beginneling uit te groeien tot ervaren rot. En dat mechanisme wordt niet geregeerd door je genen maar door jou zelf. Elke dag, elke oefensessie is een stap naar een andere toekomst. Dat is een hoopgevende gedachte, vooral omdat het gewoon een feit is.

Het eerste deel van dit boek gaat over hoe je de vonk van inspiratie kunt opwekken om te beginnen en je energie het best kunt benutten. De tips bestrijken verschillende gebieden: je mentale instelling, hoe je oefeningen moet toespitsen op het soort vaardigheid dat je wilt ontwikkelen en hoe je de kunst van de grootmeesters kunt afkijken. Maar ze dienen allemaal hetzelfde doel: ervoor zorgen dat de motor opstart en dat jij genoeg brandstof hebt om hem draaiende te houden.

DOE HET ZELF!

Download hier de eerste 10 tips uit Ontwikkel je talenten!

Zes TED-lessen die je niet mag missen

Lees hier alles over De TED-methode en leer hoe je impactvol kunt presenteren!

Dan Ariely eerste bekleder Joep Lange-leerstoel

Dan Ariely, professor psychologie en gedragseconomie, zal samen met Mark Dybul de eerste zijn die de nieuwe, wisselende Joep Lange-leerstoel aan de medische faculteit van de Universiteit van Amsterdam gaat bekleden. Dat is bekendgemaakt tijdens de oprichtingsbijeenkomst van het Joep Lange Instituut. Ariely is een Amerikaans-Israëlische professor psychologie en gedragseconomie en tevens auteur van de boeken Heerlijk oneerlijk en Ariely weet raad.

Het nieuwe instituut is opgericht ter nagedachtenis van de prominente aidsonderzoeker Joep Lange, die in 2014, samen met zijn partner Jacqueline van Tongeren, omkwam bij de MH17-vliegtuigramp. Het Joep Lange Instituut moet een activistisch instituut worden dat zich met onderzoek en actie wil inzetten voor beleidsveranderingen om zorgmarkten beter te laten functioneren in landen waar het systeem niet werkt voor armen. Naamgever Joep Lange stond bekend om zijn activisme en zijn pioniersrol op het gebied van aidsbestrijding. Zo was hij een van de eersten die experimenteerde met een cocktail van hiv-remmers.

Het onderzoek dat Ariely en Dybul gaan doen is gericht op toegang tot de zorg voor de allerarmste bevolking op het platteland en in sloppenwijken in ontwikkelingslanden. Zo wil Ariely manieren onderzoeken om mensen met extreem lage inkomens toch te laten sparen voor gezondheidszorg. Het Joep Lange Instituut wordt onder meer gefinancierd door  het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook door bedrijven als Heineken en Gilead Sciences.

Bron: Medisch Contact / Joep Lange Instituut

Klik & ontdek: hoe je stalen zenuwen kunt kweken

Voor topsporters draait alles om presteren op het juiste moment. Krijgen ze op het beslissende ogenblik vleugels? Of bezwijken ze juist onder de druk? Aan de hand van briljante hoogtepunten en gênante blunders in de sportwereld onderzoekt Ger Post in Stalen zenuwen wat er met ons gebeurt wanneer we onder druk staan. Hier legt hij uit waarom je beter je winnaarsmentaliteit thuis kunt laten als je iets spannends gaat doen:


Wanneer we leren over momenten van grote druk is het verstandig ons niet alleen op winnaars te richten, maar op zijn minst verliezers mee te nemen in de analyses. Er zijn verschillende initiatieven waar het praten over nederlagen wordt geoefend. Gevierd zelfs, zoals bij het Instituut voor Briljante Mislukkingen en op conferenties als FailCon, waar beginnende ondernemers in Silicon Valley hun fouten met elkaar delen om ervan te leren. En ook in de wetenschap dringt de noodzaak door dat mislukkingen onder ogen komen een belangrijk onderdeel is van kennisvergaring.*  Behalve dat het leermomenten oplevert, merken de delers van hun mislukkingen ook vaak dat er een opluchting vanuit gaat. Soms kun je je met de beste intenties zo goed mogelijk voorbereiden op een moment en dan loopt het toch verkeerd af.

Juist in de sport, een plek waar de obsessie met prestaties van de scoreborden druipt, vinden mensen een andere weg. Ze oefenen met een realistische blik naar hun prestaties te kijken, waarbij er na een overwinning of nederlaag ook oog is voor de omstandigheden waarop iemand geen invloed had. Grote kampioenen leren de onzekerheden die van invloed zijn op een cruciaal moment niet weg te stoppen in een illusie, maar die onder ogen te komen. Andere factoren dan die waarop de sporter invloed kan uitoefenen krijgen ruimte in verklaringen van winst of verlies.

Een mogelijk gevaar bij het onder ogen komen van onzekerheden is dat te veel controle wordt opgegeven, zoals een illusie van hulpeloosheid het Nederlands elftal in de weg zat bij strafschoppen. Hoewel de omstandigheden een uitkomst voor een deel bepalen, is het gevaarlijk dan maar alle controle op te geven en te stellen dat een strafschoppenserie voor spelers in een oranje shirt een loterij is. Of dat deze spelers niet in de wieg zijn gelegd voor het nemen van penalty’s, last hebben van een penaltysyndroom of een spook.

Zulke verwachtingen kunnen een zichzelf versterkend effect hebben, waarbij negatieve verwachtingen over een prestatie zorgen voor een slechtere prestatie.

Hetzelfde lijkt te gelden voor stress: de manier waarop we over stress denken beïnvloedt de effecten ervan. Stress is het afgelopen decennium een verhaal geworden dat rust op het idee dat het vooral en alleen slecht is voor iemands gezondheid en prestaties. Sommige deskundigen moedigen ons aan om de stress ‘aan te pakken’, soms zelfs al voordat het aan onze gezondheid of prestatie ‘vreet’. Daarmee dragen ze bij aan het probleem: van de negatieve gevolgen van stress op het beslissende moment wordt een gevaarlijk monster gemaakt waarmee afgerekend moet worden. Bijvoorbeeld door te leren ontspannen op het juiste moment.

In plaats van meteen in een oplossing voor stress te schieten, kan het helpen om juist een stap terug te doen en te achterhalen wat nu precies voor de spanning of stress zorgt. Hebben we een beeld in elkaar geknutseld van stress dat onze emoties aanwakkert? Of jagen we onszelf op de kast met de mogelijke gevolgen van een nederlaag? Juist over hoe we over het beslissende moment nadenken hebben we controle. Door deze gedachten regelmatig tegen het licht te houden – en met ons gezonde verstand te lijf te gaan – kunnen we ervoor zorgen dat we de spanning van het beslissende moment niet erger maken dan ze is.

Met een realistischer beeld van de omstandigheden waarmee we te maken krijgen is het bovendien makkelijker die omstandigheden op te zoeken in onze trainingen. Wat maakt het beslissende moment moeilijk? De sociale druk van een publiek, de verhoogde hartslag tijdens een wedstrijd, de moeilijke vragen van een interviewer, de agressieve debatstijl van een tegenstander in een discussie, tijdgebrek of de angst om gewond te raken? Met een beter beeld van de factoren die het belangrijke moment moeilijk maken kunnen deze factoren gesimuleerd worden tijdens trainingen. Een debat oefenen met een collega die de advocaat van de duivel speelt, een strafschop trainen voor een joelend publiek, een presentatie oefenen voor een groep vrienden, schietvaardigheid trainen met het risico geraakt te worden door een verdachte die ineens tevoorschijn kan komen. Dit soort trainingssituaties vormen de stappen naar stalen zenuwen.


Klik & ontdek: waarom wij beter ‘op z’n Duits’ voetballen dan de Duitsers zelf

Voor topsporters draait alles om presteren op het juiste moment. Krijgen ze op het beslissende ogenblik vleugels? Of bezwijken ze juist onder de druk? Aan de hand van briljante hoogtepunten en gênante blunders in de sportwereld onderzoekt Ger Post in Stalen zenuwen wat er met ons gebeurt wanneer we onder druk staan. Hier legt hij uit dat het vooroordeel over de Duitsers (dat ze al-tijd winnen in de laatste minuut) geen hout snijdt:


Neem onze oosterburen, die de naam hebben dat hun voetballers de wedstrijden altijd in de laatste minuten weten te beslissen – een beslissende treffer in de laatste minuten heet zelfs ‘op zijn Duits winnen’. Tot onze grote frustratie.

‘Van Duitsers heb je pas gewonnen als ze met de bus de stad uit zijn,’ zei cabaretier Youp van ’t Hek. Of in de woorden van de Engelse oud-international Gary Lineker: ‘Football is a simple game; 22 men chase a ball for 90 minutes and at the end, the Germans win.’

Vaak wordt de winnaarsmentaliteit van Duitse voetballers als reden aangedragen voor de beslissende doelpunten in de laatste minuten. Die mentaliteit zou ervoor zorgen dat ze op cruciale momenten er een schepje bovenop doen en een doelpunt maken. De Duitse voetballer Andreas Ludwig, die door zijn trainer naar Utrecht was gehaald om de ‘Duitse winnaarsmentaliteit’ in te voeren, verwoordde die mentaliteit als volgt: ‘Wij Duitsers willen altijd winnen en doen en laten daar alles voor.’

De eerste keer dat de Duitsers deze mentaliteit leerden – en hun reputatie voor het scoren van late goals vestigden – was tijdens de finale van het wereldkampioenschap in 1954 tegen het roemruchte team van Hongarije. Hongarije was de torenhoge favoriet voor de overwinning en stond binnen 8 minuten al met 2-0 voor. Maar West-Duitsland vocht zich terug in de wedstrijd en 6 minuten voor het einde scoorde Helmut Rahn de winnende goal, waardoor West-Duitsland voor het eerst wereldkampioen werd en hun voetballers een reputatie van echte winnaars vestigden. Er volgden nog vele voorbeelden die hebben bijgedragen aan de reputatie van Duitsland, zo staan de finale van het WK 1990 tegen Argentinië (toen verdediger Andreas Brehme in de 84ste minuut een penalty benutte), de finale van het EK 1996 tegen Tsjechië (toen invaller Oliver Bierhoff de wedstrijd besliste met een golden goal in de verlenging) en het WK 2014 tegen Argentini. (toen Mario Götze in de verlenging de wedstrijd besliste) in het geheugen gegrift van menig voetballiefhebber.

De gave om de wedstrijd in de laatste minuten ‘in het slot’ te gooien, wordt regelmatig als een van de belangrijkste redenen aangedragen waarom Duitsland zo vaak wint – met vijf gewonnen WK’s en drie gewonnen EK’s is het een van de meest succesvolle voetballanden ter wereld. Uit een onderzoek naar de wedstrijden van de nationale teams van België, Brazilië, Engeland, Duitsland, Italië en Nederland vanaf 1960 bleek dat het scoren van een doelpunt in de laatste minuut de kans dat een team wint met 26% doet toenemen en de kans dat een team verliest met zo’n 13% doet afnemen. De onderzoekers concluderen: ‘Duitse teams scoren in de laatste minuut (inclusief blessuretijd) in 5,5%  van hun wedstrijden, ruim boven het gemiddelde.’ Waarmee de reputatie van de Duitse winnaarsmentaliteit lijkt bevestigd.

Alleen is de bovengemiddelde score van Duitsers niet het hele verhaal. Want zoals de onderzoekers verderop opmerken heeft het Nederlands elftal ‘in 5,9% van hun wedstrijden’ in de laatste minuut gescoord. Ook als wordt gekeken naar de laatste 5 minuten in de wedstrijd, heeft Nederland ‘de grootste kans’ om een goal te scoren. Met andere woorden, als naar het percentage doelpunten wordt gekeken in de laatste minuten, dan doet Nederland het beter dan Duitsland.

Maar het wordt nog vreemder, want van de onderzochte landen blijkt Duitsland de grootste kans te hebben om een doelpunt tegen te krijgen in de laatste 5 minuten van de wedstrijd. Hun drang om in de laatste minuten een doelpunt te maken gaat gepaard met risico’s: de kans op een tegengoal wordt groter dan bij de andere landen, waaronder Nederland.

Wat betreft de laatste 5 minuten in een wedstrijd doet Oranje op alle onderzochte fronten niet onder voor de oosterburen.

Sterker nog, op sommige vlakken presteert het zelfs beter, waardoor het verstandiger lijkt voor coaches om hun spelers een ‘Nederlandse winnaarsmentaliteit’ bij te brengen, waarbij het maken van een doelpunt in de laatste minuten het risico op een tegengoal niet zo vergroot als bij Duitsland. Toch helpen dit soort statistieken de reputatie van Nederlandse voetballers nauwelijks, net zoals ze weinig afbreuk doen aan de reputatie van Der Mannschaft. Zo kopte nrc.nl boven een artikel dat het onderzoek beschreef: ‘Duitsland scoort vaak in de laatste minuut’, terwijl de koppen ‘Duitsland krijgt in de laatste minuut vaak een doelpunt tegen’ en ‘Nederland scoort vaak in de laatste minuut’ beter de resultaten van het onderzoek weergeven.

Ondanks de vreemde logica van opstijgers en ‘echte winnaars’ – waarom wachten ze op de laatste minuten om de wedstrijd te beslissen? – en ondanks dat uit statistieken blijkt dat hun reputatie vaak niet gerechtvaardigd is, blijven we ze zien als de spanning oploopt. De omgeving, van medespelers tot publiek en van coaches tot tegenstanders, dragen ongemerkt bij aan deze illusie door de speler met de bijzondere gave meer kansen te geven op het beslissende moment. Op die manier lijkt deze speler boven zichzelf uit te stijgen op hét moment, zelfs als we weten dat dit helemaal niet kan.


Klik & ontdek: waarom je je winnaarsmentaliteit beter thuis kunt laten

Voor topsporters draait alles om presteren op het juiste moment. Krijgen ze op het beslissende ogenblik vleugels? Of bezwijken ze juist onder de druk? Aan de hand van briljante hoogtepunten en gênante blunders in de sportwereld onderzoekt Ger Post in Stalen zenuwen wat er met ons gebeurt wanneer we onder druk staan. Hier legt hij uit waarom je beter je winnaarsmentaliteit thuis kunt laten als je iets spannends gaat doen:


Wanneer we naar een prestatie onder druk kijken, trekken we al snel de conclusie dat een in het oog springend kenmerk van de persoon voor het succes zorgt. Zelfvertrouwen is zo’n kenmerk, maar ook een winnaarsmentaliteit en een gevoel dat alles vanzelf lijkt te gaan, als in een flow.

De volgende stap is om dit gevoel te kopiëren. Zo kwamen we al sportpsychologen tegen die aanraden om een staat van flow te bereiken. Zo’n staat zou iemand kunnen bereiken door op een positieve manier tegen zichzelf te praten. Of door te mediteren. Deze concentratieoefening zou ervoor zorgen dat topsporters zich beter kunnen concentreren op het beslissende moment en in zo’n flow terecht komen.

Golfer Tiger Woods kon boven zichzelf uitstijgen omdat hij ‘een master in meditatie’ was, schreven deskundigen. Tennisser Richard Krajicek liet weten dat hij Wimbledon won nadat hij een boekje over boeddhisme en mediteren had gelezen. En darter Raymond van Barneveld kon op een gegeven moment zelfs ‘mediteren op het podium’.

Alleen schort er nogal wat aan de gedachte dat het ontwikkelen van zo’n vaardigheid sowieso goed is voor belangrijke momenten. Ondanks zijn expertise in meditatie bezweek Woods op een legendarische manier onder de druk van pers en sponsors toen naar buiten kwam dat hij jarenlang buitenechtelijke relaties had gehad. Krajicek deed na het lezen van het meditatieboekje nog aan verschillende toernooien mee, maar zijn deelnames bleken telkens nat vuurwerk. En darter Van Barneveld ging na een nieuwe nederlaag weer op zoek naar een andere manier die ervoor zou kunnen zorgen dat hij op belangrijke momenten beter presteerde. Het deed zijn collega Co Stomp. verzuchten dat hij eens moest ‘ophouden met dat gedoe’.

Hoewel een goede prestatie of een positief resultaat ervoor kan zorgen dat iemand vertrouwen krijgt, in een flow raakt of aan winnen denkt, betekent dit niet dat het andersom ook geldt: een groot zelfvertrouwen, veel aan winnen denken of een gevoel van flow zorgt er niet automatisch voor dat iemand goed presteert of wint. Dit wordt het pijnlijkst duidelijk bij sporters die iedereen een winnaarsmentaliteit aanraden voor momenten dat het moeilijk wordt. Deze boodschap, die ook vaak verpakt wordt in termen als ‘positief denken’, komt erop neer dat iemand zich volledig moet richten op een positief resultaat (een overwinning) en dat hij daarmee de kans vergroot dat dit ook gebeurt. Het logische gevolg is dat deze persoon geen enkele rekening houdt met de mogelijkheid dat het resultaat niet (zo) positief is. Schaatser Sven Kramer is zo’n ‘echte winnaar’ dat hij geen spelletjes speelt als Rummikub, omdat hij dan kan verliezen. Winnen is het enige wat voor hem telt. Het Nederlands elftal huldigen na een tweede plek op het WK ‘trekt’ hij dan ook niet. Zo’n tweede plek vieren geeft volgens Matthias Sammer, voormalig profvoetballer bij de ‘echte winnaars’ van het Duitse nationale team en nu technisch directeur bij Bayern München, zelfs een heel verkeerde boodschap af. ‘Moeten we een nederlaag vieren? Het is ook een verkeerd signaal toe naar de jeugdelftallen, die we een winnaarsmentaliteit moeten bijbrengen,’ hield hij trainers voor tijdens een congres.

Door alleen aan winnen te denken, zouden de sporters op het beslissende moment een stapje extra doen. Zo had wielrenner en ‘echte winnaar’ Lance Armstrong de naam dat hij op de belangrijke en zware wedstrijden van het seizoen (meestal tijdens de Tour de France) een tandje bijschakelde. Zijn winnaarsmentaliteit zorgde ervoor (volgens verhalen die niet zelden uit zijn mond werden opgetekend) dat hij niet alleen harder trainde, maar ook op moeilijke, spannende momenten in de race nog iets extra’s kon geven. Hij wilde méér winnen dan de rest. Deze winnaarsmentaliteit zou hij hebben opgedaan tijdens zijn ziekbed, toen hij ‘in gevecht’ was met een agressieve vorm van kanker en de ziekte ‘overwon’.

Dat het niet zijn winnaarsmentaliteit was die ervoor zorgde dat hij iets extra’s kon op cruciale momenten tijdens de Tour, bleek pas ná Armstrongs carriëre, toen hij bij Oprah bekende jarenlang doping te hebben gebruikt en zijn teamgenoten onder druk te hebben gezet hetzelfde te doen. De winnaarsmentaliteit bleek vooral een afleiding voor andere, dubieuze redenen die ervoor zorgden dat hij kon opstijgen op beslissende momenten (zoals doping, maar ook politieke spelletjes en chantagepraktijken). Sterker nog, zijn winnaarsmentaliteit zorgde er juist voor dat hij minder goed presteerde – althans volgens de regels binnen de sport – want hij droeg zijn ‘win at all costs ’-mentaliteit aan als belangrijkste reden voor het grijpen naar verboden middelen. Met de val van Armstrong verloor de sportwereld een icoon die menigeen motiveerde om nog harder te focussen op winnen. Ook kankerpatiënten verloren het voorbeeld van hoe een winnaarsmentaliteit alle onzekerheden kan overschaduwen bij een ziekte als kanker – en de ziekte zelfs kan overwinnen. Armstrong raadde de patiënten zelfs aan om positief te denken en niet op onzekerheden te letten. ‘Als kinderen de vaardigheid hebben om alle kansen en percentages te negeren, dan kunnen we misschien allemaal wat van ze leren. Als je erover nadenkt: welke andere keuze heb je dan hoop? We hebben medisch en emotioneel twee opties: opgeven of fight like hell.’

Armstrongs ziekte was een wedstrijd, een gevecht, waarin zijn winnaarsmentaliteit van pas kwam. Het gevecht met kanker is een misleidend idee dat suggereert dat iemand macht heeft over processen waarop geen invloed is uit te oefenen en het kan iemand zelfs aanzetten zijn herstel te bemoeilijken. Het idee van Armstrong bezorgde sommige lotgenoten irritatie en druk als ze van hun bezoek kregen toegevoegd ‘wel te blijven vechten’ en ‘positief te blijven’ of hoorden: ‘Zet hem op.’

Daarbij kan de rol van vechter ervoor zorgen dat patiënten vaker kiezen voor een (te) agressieve behandeling, betoogde Ellen de Visser in een essay.

Dat woede op ‘de vijand’ patiënten tot onverstandige besluiten kan leiden, blijkt uit de biografie van Armstrong. Doodziek strompelde hij door het ziekenhuis met zijn infuus, omdat hij weigerde zich in een rolstoel te laten vervoeren. Armstrong wilde zijn kanker hiermee laten zien dat hij niet opgaf, maar hij lijkt vooral geluk te hebben gehad dat hij niet is ingestort.

Bij sommige patiënten zorgt het idee dat vechten de enige optie is ervoor dat het hun afscheid van naasten bemoeilijkt.

De Volkskrant publiceerde een indrukwekkend verhaal over ‘wielerfanaat Huib’, die worstelde met een omgeving die van hem vroeg te vechten met kanker. ‘Wat een eenzaamheid komt hij soms tegen, als terminale patiënten doorgaan met behandelingen waarvan het effect onzeker is terwijl hun familie het liefste nog een goed gesprek zou voeren. Patiënten komen dan gevoelsmatig in een spagaat terecht. Doorgaan vergt een andere instelling dan afscheid nemen.’

Hoewel een bijzondere prestatie onder druk misschien gepaard gaat met een flinke dosis zelfvertrouwen, een sterke focus (al dan niet geoefend met meditatie) of een winnaarsmentaliteit, betekent dit niet dat deze kenmerken voor de bijzondere prestatie hebben gezorgd. Het lijkt eerder andersom: de goede prestatie zorgt ervoor dat iemand zelfvertrouwen krijgt, aan winnen denkt en in een flow raakt.

Het heeft in de voorbereiding dan ook weinig zin om deze vaardigheden te ontwikkelen voor het beslissende moment – sterker nog: met het ontwikkelen van deze vaardigheden vergroten we de kans dat we ons op de verkeerde dingen richten.


Klik & ontdek: waarom je deskundigen die over ‘flow’ beginnen moet negeren

Voor topsporters draait alles om presteren op het juiste moment. Krijgen ze op het beslissende ogenblik vleugels? Of bezwijken ze juist onder de druk? Aan de hand van briljante hoogtepunten en gênante blunders in de sportwereld onderzoekt Ger Post in Stalen zenuwen wat er met ons gebeurt wanneer we onder druk staan. Hier legt hij uit waarom je vooral niet de ‘deskundigen’ moet geloven die het hebben over ‘in de flow komen’:

Uit tal van onderzoeken naar presteren onder druk blijkt dat het steeds moeilijker wordt om rationeel na te denken als de druk toeneemt. De lijst met mogelijkheden neemt af, schrijft Jonah Lehrer. Maar wat heeft het dan voor zin om nog een mogelijkheid aan de lijst toe te voegen, zoals even te pauzeren, in de flow raken of goed blijven nadenken? Dat is hetzelfde als tegen Gerard Kemkers zeggen dat hij volgende keer even rustig na moet denken voordat hij Sven Kramer de aanwijzing geeft van baan te wisselen. Dat weet hij zelf ook wel. Het probleem is juist dat hij het op dat moment niet kan.
De manier waarop deskundigen Kemkers benaderen – alsof hij niet weet dat het onhandig is om je pupil de verkeerde kant op te sturen – doet denken aan hoe sommige experts spelers van het Nederlands elftal adviseren als het aankomt op strafschoppen. Zo zijn er deskundigen die zich al twintig jaar verbazen over het verschil tussen een strafschop die op een training wordt genomen en eentje in de finale van een belangrijk toernooi. Om vervolgens nog maar eens uit te leggen hoe de cruciale strafschop genomen had moeten worden. ‘Professor Penalty’ Gyuri Vergouw schreef een heel boek over hoe de ideale strafschop genomen dient te worden (samenvattend: hard en hoog in de hoek) en heeft naar eigen zeggen al meer dan vijfhonderd interviews gegeven. ‘En dat blijf ik doen tot ze luisteren.’
De reactie van de profvoetballers op dit soort adviezen laat zich ongeveer als volgt optekenen: ‘Hard en hoog in de hoek? No shit , Sherlock. Probeer dat maar eens als er miljoenen mensen toekijken.’ Of in de woorden van Phillip Cocu, die beschreef hoe hij zijn strafschop in de halve finale van het WK 1998 ervoer: ‘Dat moment. En het gevoel van: ik sta nu voor een finale en achter het doel gaan ze tekeer. Ik was zo leeg na de verlenging, waar je kramp in je benen had gehad, dat je als het ware in een roes naar die elfmeterstip liep. Zo beleefde ik het.’
Natuurlijk weet Cocu ook wel dat hij hard in de hoek moet schieten, maar het probleem is juist dat hij het in het heetst van de strijd niet kon.
Door voorbij te gaan aan de spanning of angsten die een sporter of coach op het moment suprême ervaart, missen deskundigen een belangrijk punt: de sporters weten ook wel wat ze hadden moeten doen, het zijn juist de omstandigheden die ze op een ander spoor zetten.
Zoals de berekeningen van rampenonderzoeker Leach suggereren wordt in hachelijke situaties 90% van de mensen een mindere versie van zichzelf. Ons gebrek aan inlevingsvermogen in het individu dat voor een groep staat – of dat nu iemand anders is of wijzelf in de toekomst – zorgt ervoor dat we verkeerde lessen trekken uit belangrijke momenten. We missen de effecten van de omstandigheden, een neiging die nog eens wordt gesterkt door de adviezen van sommige experts.

Hoewel hun tips misschien het idee geven dat we beter zijn voorbereid op zo’n moment, zijn we dat niet. Het enige wat we gedaan hebben is onze illusie vergroot dat het – met die tips in het achterhoofd – goed gaat komen. De hot-cold empathy-gap is dan nog een stukje groter geworden.


Aandachtsexpert Stefan van der Stigchel legt uit hoe je op kunt vallen

Reclameborden, websitebanners, wegwijzers, sponsorshirts, etalages, Facebook-meldingen en verkeerslichten: onze ogen worden elke dag gebombardeerd met visuele informatie. Maar wat bepaalt wat ons opvalt en wat niet?

In ‘Zo werkt aandacht’ vertelt Stefan van der Stigchel hoe we informatie verwerken, waarom onze ogen meer zien dan we verwerken en wat voor gevolgen dit heeft voor ons dagelijks leven. Hij beschrijft de verschillende technieken waarmee je aandacht kunt sturen en hoe aandachtsarchitecten (denk aan reclamemakers, ontwerpers van vliegvelden en websitebouwers) die inzetten in ons voor- en nadeel.

Bekijk hier zijn uitleg van wat aandacht nu eigenlijk precies is, én hoe je kunt zorgen dat je opvalt.