Vers van de pers

Franklin’s deugden en geneugden (waaronder naakt schrijven)

Benjamin Franklin (1706-1790) was schrijver, drukker, uitvinder, wetenschapper, activist, diplomaat en een van de Founding Fathers van de Verenigde Staten.

In zijn beroemde Autobiography zette Franklin zijn schema uiteen voor het bereiken van ‘morele perfectie’ in dertien weken. Elke week was gewijd aan een specifieke deugd – zelfbeheersing, reinheid, matigheid, enzovoort – en zijn misstappen met betrekking tot deze deugden werden op een kalender bijgehouden. Franklin dacht dat wanneer hij een week lang toegewijd kon blijven aan één deugd, het dan een gewoonte zou worden; dan kon hij overstappen naar de volgende deugd, en zou hij vervolgens steeds minder misstappen (op de kalender aangegeven met een zwart kruis) begaan, totdat hij zichzelf volledig omgevormd had en daarna alleen maar af en toe een morele onderhoudsbeurt nodig zou hebben.

Het plan werkte, tot op zekere hoogte. Na het traject een aantal keren achter elkaar afgelegd te hebben, vond hij het nodig om slechts één traject per jaar te volgen, en daarna eentje per twee jaar. Maar de deugd van ordelijkheid – ‘geef al je bezittingen een eigen plaats; geef alles waar je mee bezig bent de tijd’ – lijkt aan zijn greep ontsnapt te zijn. Franklin had geen natuurlijke neiging tot het ordelijk bewaren van zijn papieren en andere bezittingen, en het leverde hem zoveel irritatie op dat hij er uit frustratie bijna mee ophield. Bovendien zorgden de taken die zijn drukkerij met zich meebracht ervoor dat hij niet altijd dezelfde veeleisende dagindeling kon volgen die hij zichzelf oplegde. Dat ideale schema, dat ook in Franklins kleine boek van deugden stond, zag er als volgt uit:

Deze tijdsindeling bestond al voordat Franklin de favoriete bezigheid van zijn latere jaren aannam – zijn dagelijkse ‘luchtbad’. Toentertijd werd een bad in koud water beschouwd als een tonicum, maar Franklin geloofde dat de kou een te grote schok was voor de lichaamsfuncties. In een brief schreef hij:

‘Ik heb ontdekt dat het veel prettiger is voor mijn constitutie om in andere materie te baden, in koude lucht bedoel ik. Met dit inzicht sta ik bijna elke morgen op en zit dan een half uur of een uur, afhankelijk van het jaargetijde, helemaal bloot in mijn kamer te lezen of te schrijven. Deze handeling is in het geheel niet pijnlijk, maar daarentegen juist aangenaam. En als ik daarna weer naar bed ga, voordat ik mezelf aankleed, zoals soms gebeurt, voeg ik een één of twee uur durend extra ultiem bevredigend slaapje aan mijn nachtrust toe.’

Uit: Dagelijkse rituelen: Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken.

Vertaald door Louise Koopman.

Herman Brood: dope, rum en twee broodjes ossenworst

Herman Brood (1946-2001) was een Nederlandse zanger, kunstschilder, pianist, acteur en auteur. Hij verwierf bekendheid met hits als ‘Saturday night’ en ‘Als je wint’, maar ook doordat hij de Nederlandse belichaming was van het hedonistische credo seks, drugs & rock-’n-roll. Nadat jarenlang drugs- en alcoholgebruik zijn lichaam in hoge mate hadden verwoest, sprong hij op z’n vierenvijftigste van het dak van het Amsterdamse Hilton hotel.

Dagelijkse rituelen, ook knuffeljunkies hebben er baat bij, zij het dat ze afwijken van de rituelen van hen die wel binnen de lijntjes kleuren. De rites die voorafgingen aan de werkzaamheden van Herman Brood – het schilderen en muziek maken waren niet los te koppelen, hij tekende al voordat hij zong en andersom – begonnen om elf uur, twaalf uur, één uur, vaak nog wel later, wanneer hij wakker werd in zijn huis in Amsterdam-Zuid. Hij stond op, zette een shot dope en wandelde vervolgens met hond Iggy naar Delcavi op de Beethovenstraat, Hermans tweede huiskamer, waar ze beiden een broodje ossenworst namen. Even geinen met de barman, ouwe-jongens-krentenbrood, en dan een crème de menthe, een glaasje Stroh-rum of een driedubbele Grand Marnier met warme melk. Dronken werd hij er niet meer van, en het werk ging dus onverminderd door. Aanvankelijk thuis, waar het gezin slalommend om de ezels, verfpotten, kwasten, bussen en doeken heen moest, later betrok hij een atelier aan het Spui, boven café Dante. Hij musiceerde en schilderde dag en nacht, lichtval deed er niet toe. Echtgenote Xandra: ‘Hij produceerde zo snel, hij had amper door of er überhaupt lichtval was. Bracht ik de kinderen ’s ochtends naar school, stond hij nog te schilderen.’

Na zulke nachten stuiterde hij vaak door naar café Tomeloos op de Overtoom, de plek waar zijn band Wild Romance verzamelde alvorens naar een optreden te gaan. Tot twee jaar voor zijn dood kwam hij daar drie keer per week en tot op het laatst, zoals elke artiest, een tikje gespannen.

Op dagen dat hij thuis was at hij biefstuk van slagerij Hergo, platgeslagen biefstuk die hij bakte op het hoogste vuur, zodat het vet alle kanten op spatte en de hele keuken onder zat. Daarna at hij vanillevla met een scheutje rum toe, junkfood in optima forma. Xandra vond het best, het was een hele vooruitgang ten opzichte van de witte bonen in tomatensaus en rodekool die hij haar in het begin van hun verkering voorzette. Dat het een gekke man was begreep ze meteen toen ze hem ontmoette achter de bar van De Richter, toen vierentwintig jaar oud. Herman wilde met haar uit, Xandra had bedenkingen maar stemde uiteindelijk toe. Wist zij veel wat voor leven er zou volgen.

En wat voor eind.

Er gold eigenlijk maar één regel: Herman moest altijd zeggen of hij ’s avonds mee-at of niet, want een pan sperziebonen weggooien, dat vond Xandra zonde.

Uit: Dagelijkse rituelen: Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken.

Door: Eva Hoeke

Philip Roth: ‘Schrijven is een nachtmerrie’

Philip Roth (1933) is een Amerikaanse schrijver die al vroeg berucht was vanwege zijn seksueel expliciete roman Portnoy’s complaint (Ned. vertaling: Portnoys klacht). Hij is een auteur met een van de luisterrijkste carrières binnen de twintigste-eeuwse literatuur.

‘Schrijven is geen zwaar werk, het is eerder een nachtmerrie,’ zei Roth in 1987. ‘Het delven van steenkool is zwaar werk. Dit is een nachtmerrie (…) Aan het vak is onlosmakelijk een enorme onzekerheid verbonden, een voortdurende zekere mate van twijfel die je op een bepaalde manier helpt. Een goede dokter levert geen gevecht met zijn werk; een goede schrijver verkeert voortdurend in gevecht met zijn werk. Bij de meeste beroepen is er sprake van een begin, een midden en een eind. Bij schrijven begin je altijd weer opnieuw. Van nature hebben we die nieuwheid nodig. Er zit veel herhaling in het werk. Eigenlijk is het vermogen om stil te kunnen zitten tijdens deze totaal gebeurtenisloze gang van zaken wat iedere schrijver in elk geval nodig heeft.’

Roth heeft dat vermogen met veel animo gecultiveerd, in ieder geval vanaf 1972, toen hij verhuisde naar een somber achttiende-eeuws huis op ruim 24 hectare land in het landelijke noordwesten van Connecticut. Een voormalig gastenverblijf, een cottage met twee kamers, dient als werkruimte. Elke morgen na het ontbijt en zijn oefeningen gaat hij daar aan het werk. ‘Ik schrijf elke dag van tien tot zes, met een uur pauze voor de lunch en de krant,’ aldus Roth. ‘’s Avonds lees ik meestal. Dat is het wel zo’n beetje.’

Jarenlang leefde hij in gezelschap van zijn tweede vrouw, de actrice Claire Bloom, maar sinds hun scheiding in 1994 woont hij alleen, een situatie die hem goed bevalt. ‘Ik woon alleen, ik ben voor niemand verantwoordelijk, ben aan niemand verantwoording schuldig, er is niemand met wie ik tijd hoef door te brengen,’ zei hij in 2000 tegen David Remnick.

‘Hoe ik mijn dag indeel is helemaal aan mezelf. Normaal gesproken schrijf ik de hele dag, maar als ik ’s avonds weer naar mijn werkkamer wil, na het avondeten, hoef ik niet in de woonkamer te blijven zit- ten omdat er iemand de hele dag alleen is geweest. Ik hoef daar niet te zitten en iemand bezig te houden of te vermaken. Ik ga gewoon weer en werk nog twee of drie uur door. Als ik ’s nachts om twee uur wakker word – dat gebeurt zelden, maar soms wel – en ik heb een ingeving gekregen, doe ik het licht aan en schrijf ik in de slaapkamer. Ik heb overal van die kleine gele papiertjes. Ik lees tot in de kleine uurtjes als ik daar zin in heb. Als ik om vijf uur wakker word en niet kan slapen en wil werken, sta ik op en ga ik aan het werk. Dus dan werk ik, op afroep. Ik ben net als een dokter op de eerste hulp bij ongelukken. En ik ben dan het ongeluk.’

Uit: Dagelijkse rituelen: Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken.

Vertaald door Louise Koopman.

Annie pafte, draalde, zwoegde en ploegde

Annie M.G. Schmidt (1911-1995) was een Nederlandse schrijfster van kinderboeken, toneelstukken, musicals, verzen, liedjes en radio- en televisiedrama. Haar bekendste werken zijn Jip & Janneke, Pluk van de Petteflet, Minoes, Wiplala en Abeltje. in 1988 kreeg ze uit handen van Astrid Lindgren de hoogste internationale prijs die er voor kinderboeken bestaat, de Hans christian Andersenprijs.

Anna Maria Geertruida Schmidt was een matineuze vrouw. Om acht uur stond ze op, zette koffie, stak een sigaret op en ging aan het werk. Behalve als ze een deadline had, dan stond ze al om vier uur op. Weken hield ze dat vol, en hoewel ze een probleem met slapen had en een groot deel van haar volwassen leven aan de slaapmiddelen zat, ging ze midden in de nacht met frisse moed aan de slag.
Toegegeven: dat was vooral te danken aan die vreselijke deadlines. ‘Het aarzelen staat me nader dan het toetreden,’ zei Annie ooit en zo herinnert zoon Flip zich haar ook, als een enorme uitsteller. ‘Ze schreef alleen in opdracht en zolang het niet hoefde bleef ze er maar omheen draaien. Pas als er iemand aan haar trok en zei: “Hé Annie, er moet weer een boek of een liedje af!” ging ze aan de slag, zwoegend, ploegend, handenwringend.’

Geen Heilig Vuur dus, maar Noeste Arbeid, want voor Annie was schrijven uiteindelijk gewoon een kwestie van gaan zitten en dóén. Omdat ze altijd bang was dat men op een dag helemaal geen beroep meer op haar zou doen nam ze voortdurend te veel werk aan, waardoor ze ook voortdurend in de knoop kwam en daardoor nóg harder moest werken en nóg vroeger op moest.
Overigens begon Annie nooit meteen te tikken. Ze krabbelde eerst hele stapels papier vol met ideetjes, invallen, fragmenten en rijmpjes, vellen vol, en pas als het raamwerk goed genoeg in haar hoofd zat begon ze te schrijven. Hoe haar werkkamer er tegen die tijd uitzag laat zich raden: een chaos van papieren, paperclips, kranten, koffiekoppen, ongeopende rekeningen, knipsels, boeken, troep en volle asbakken – ze pafte achter elkaar door, Camel en Caballero, zonder filter.

Tijdens het schrijven mocht niemand haar storen. Dat gebeurde ook niet: door haar relatie met Dick van Duijn was ze weg uit Amsterdam, weg van vernissages en boekuitreikingen en allerhande partijtjes die haar in de stad zo makkelijk uit haar concentratie trokken. In Berkel en Rodenrijs was niets, zelfs voor het raam zat luxaflex om niet afgeleid te worden. De enige verstrooiing die ze zich permitteerde was haar dagelijkse belletje met Wim (Wilhelmina) Hora Adema, de vrouw die later Opzij oprichtte maar destijds nog redacteur was van de vrouwenpagina in Het Parool. Ze belden om het werk te bespreken, om nieuwtjes uit te wisselen en het leven door te nemen, want ook Hora Adema was een uitgesproken ochtendmens.

En zo kwamen Wiplala, Pluk van de Petteflet en Ja Zuster, Nee Zuster tot stand. Zwoegend, ploegend, maar ze kwamen er. Of zoals Annie zelf zou zeggen: ‘Doe nooit wat je moeder zegt, dan komt het allemaal terecht.’

Uit: Dagelijkse rituelen: Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken.

Door: Eva Hoeke

Bas Heijne: van Sugababes tot Pet Shop Boys

Bas Heijne (1960) is een Nederlandse schrijver, interviewer en columnist. Heijne is sinds 1991 als essayist verbonden aan NRC Handelsblad, waarvoor hij sinds 2001 ook iedere week een column schrijft. in 2005 ontving hij voor een verzameling van die columns de Henriette Roland Holst-prijs.

Simon Vestdijk kon uitsluitend schrijven als de stofzuiger aan stond. Bas Heijne, NRC’s huiscolumnist en essayist, kan het alleen met knetterharde popmuziek in zijn oren. ‘Nou, knetterhard. Maar wel hard, ja.’
Van Madonna tot Sugababes en de Pet Shop Boys: hij heeft zelfs een speellijst op Spotify met de veelzeggende naam ‘Trash for Writing’. Er staan honderden nummers op, maar hij draait er vaak maar drie, want sommige ‘heb ik te vaak geluisterd, die zijn versleten, die doen het niet meer’.

De goeie kan hij achter elkaar beluisteren, wel vier uur lang, zonder te stoppen. Maar: het luistert nauw. ‘Het moeten echt werknummers zijn. En werknummers zijn nummers waar je op kunt werken, geen nummers waar je per se van houdt of waar je echt naar luistert. Het is muziek die me direct in mijn cocon brengt. Het is net als met de stofzuiger van Vestdijk: die wall of sound zorgt ervoor dat alle andere geluiden buiten blijven en dat ik door niets kan worden afgeleid.’
Het ritme is ook belangrijk. ‘Je hebt columnisten die hun stuk beginnen met: “Laatst was ik voor een lezing in Loosdrecht.” Alsof ze zichzelf er nog in moeten schrijven. Door die muziek durf ik meteen midden in de column te springen, alsof je een conversatie oppikt die al gaande was.’

De favorieten van nu: Hallo Spaceboy van David Bowie, Mary J. Blige met A Night to Remember – ‘Dat is een heel oud disconummer van Shalamar dat zij opnieuw heeft opgenomen, maar gelukkig heeft ze er niets moois van gemaakt’ – en Feels Like Vegas van Tinashe, ‘een of ander nieuw r&b-sterretje’. Volume op tien en knallen maar. Wel zet hij altijd een koptelefoon op, a omdat dat de cocon versterkt en b omdat het wel zo netjes is naar zijn huisgenoot, een man die nota bene klassieke muziek maakt (partner Peter Verduijn Lunel is solofluitist bij het Gelders orkest).

Het schrijven van zijn zaterdagcolumn begint op vrijdagochtend. ‘Theoretisch zou ik er ook op donderdagavond of woensdagmiddag mee kunnen beginnen, maar dat doe ik nooit, op de een of andere manier zit ik heel erg aan die vrijdagochtend vastgekoekt.’
Vroeger begon die vrijdagochtend reeds om half vijf, maar dat had met onzekerheid te maken, dan was hij vaak al wakker voor de wekker ging. Tegenwoordig probeert hij voor negenen achter zijn bureau te zitten. Dan heeft hij een cappuccino gemaakt, neemt hij een koekje, ‘vaak wel meer dan één’, klapt hij zijn laptop open en moet het gebeuren. Een hele ochtend duurt het gemiddeld, voor hij zijn gedachten precies zo op papier heeft staan dat hij ze weg kan sturen. ‘Het duurt vaak even voor je weet waarom iets interessant is. Dan wordt het schrijven uitvinden wat je nou eigenlijk ergens van vindt.’ Om precies één uur levert hij zijn column in. Sinds hij voor in de krant staat mag dat later, ‘maar ik houd me toch maar aan die één uur, want anders werkt het systeem niet. Zolang ik me aan mijn zelfgecreëerde mal houd, komt het goed.’

‘De inspiratie is aangewezen op de constructie en omgekeerd,’ zei Vestdijk eens. Wie heeft het dan nog over een stofzuiger of de Sugababes?

Uit: Dagelijkse rituelen: Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken.

Door: Eva Hoeke

Woody Allen doucht de ganse dag

Woody Allen (1935) is een Amerikaanse filmmaker, scenarioschrijver, komiek en auteur. Hij regisseerde meer dan veertig films, waarvan hij de meeste ook schreef, waaronder annie Hall, Manhattan, Hannah and her sisters en Husbands and wives.

Als hij geen film aan het draaien is, richt Allen bijna al zijn creatieve energie op het in zijn hoofd uitwerken van knelpunten in een nieuw verhaal. Dit is het moeilijkste onderdeel; als hij eenmaal tevreden is met de opzet van het verhaal komt het schrijven vanzelf (en het maken van de film is vooral corvee). Maar het verhaal helemaal goed krijgen vereist ‘obsessief nadenken’, is een uitspraak van Allen. Om niet in een groef te blijven hangen, heeft hij een paar betrouwbare trucjes bedacht.

Allen: ‘In de loop der jaren heb ik ontdekt dat een willekeurige verandering die van het ene op het andere moment plaatsvindt, heilzaam is voor een frisse stroom mentale energie. Dus als ik in de ene kamer ben en dan naar een andere kamer ga, helpt dat me. Als ik de straat op loop, is dat een enorme steun. Als ik opsta en een douche neem is dat een grote steun. Daarom douch ik soms nog een keer extra. Dan ben ik hier beneden [in de woonkamer] en zit ik vast, en wat dan helpt is dat ik naar boven ga en een douche neem. Het schudt het allemaal op en het ontspant me. Douchen is vooral goed als het koud is. Dat klinkt nogal onbenullig, maar als ik werk heb ik gewoon mijn kleren aan, en die douche wil ik nemen voor een creatieve impuls. Dus trek ik wat kleren uit en smeer een muffin voor mezelf, of zoiets, en dan probeer ik mezelf zo even echt koud te laten worden zodat ik onder de douche wil stappen. Dan sta ik daar onder kokend heet water, dertig of vijfenveertig minuten, alleen maar ideeën te verzinnen en de plot uit te denken. Daarna stap ik uit de douche, droog me af, kleed me aan en laat me weer op bed vallen om daar verder te denken.’

Eropuit gaan voor een wandeling helpt ook goed, hoewel Allen niet meer over straat kan lopen zonder herkend en aangesproken te worden, wat funest is voor zijn concentratie. In plaats daarvan ijsbeert hij vaak op het terras van zijn appartement. En hij benut elk vrij moment van de dag om zich steeds opnieuw te buigen over het verhaal waar hij mee bezig is. ‘Ik gebruik de hele tijd al die kiertjes. Ik houd nooit op.’

Uit: Dagelijkse rituelen: Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken.

Vertaald door Louise Koopman.

Nieuw: De Maven!

Het wetenschappelijk onderzoek naar menselijk gedrag bevindt zich in een stroomversnelling. Elk jaar worden er belangrijke nieuwe ontdekkingen gedaan. Maar veel van deze inzichten zijn nog niet op de juiste bestemming aangekomen en klinken dus nog onvoldoende door in onze samenleving. Bij Maven doen wij niets liever dan deze onderwerpen bij een breed publiek onder de aandacht brengen. Vandaar dat we nu komen met een totaal nieuwe uitgave: DE MAVEN.

In deze nieuwsbrief over menselijk gedrag delen we de meest opmerkelijke artikelen, de mooiste inzichten en spraakmakende wetenschap van het moment.

Pepijn Vloemans, auteur van o.a. Survivalgids voor het consumptieparadijs en Dit is pijnlijk om op te schrijven, stelt voor ons elke twee weken DE MAVEN samen. Hij zal — op geheel onafhankelijke wijze — de grenzen verkennen van onze kennis over onszelf.

Wil jij DE MAVEN ook elke twee weken in je inbox? Schrijf je dan nu in op www.demaven.nl of check hier alvast de eerste editie:
DE MAVEN – EDITIE 1
.

Dagelijkse rituelen: Voorwoord door Eva Hoeke

Krant lezen, mail doen, thee zetten, poes aaien, filmpje kijken, Twitter checken, zinnetje tikken, zinnetje schrappen, nog een filmpje, nog wat peinzen, was in de trommel, blik op oneindig, ga nou begínnen – zo ongeveer ziet mijn gemiddelde werkdag eruit. Lukt het niet en valt reeds de avond, dan mag u daar enig gevloek en een glas wijn (of twee…) bij optellen; is de klus geklaard en ben ik tevreden, welt er een groot geluk in mij op en vind ik schrijven het mooiste vak ter wereld. Maar wel altijd achteraf.Dat ik daarin niet alleen sta wist ik al, onder journalisten bestaat een rijk community-leven (online, ja) waaruit af te leiden is dat aan vele bureaus met precies dezelfde riemen wordt geroeid. En ook aan de overkant van de oceaan wordt afwisselend gedraald, gebaald en getriomfeerd. Alleen zette schrijver Mason Currey zijn eigen getalm om in wat uiteindelijk zou leiden tot dit fantastische boek, namelijk het opsnorren van de eigenaardigheden van ánderen. Al doende kwam hij erachter dat Beethoven ontbeet met koffie die van precies zestig bonen was getrokken, dat Jean-Paul Sartre drie uur ’s ochtends en drie uur ’s avonds werkte en zijn dag verder vulde met drank, drugs en Simone de Beauvoir, en dat Woody Allen om de haverklap onder de douche springt om aldus nieuwe inspiratie op te doen.

Currey begon met een blog, het blog werd een boek, en nu ligt dit Nederlandse exemplaar voor u, met de toevoeging van de dagelijkse mores van tien Markante Nederlanders. Want ook op eigen bodem kunnen we er wat van. Zo ging muzikant Herman Brood pas aan de slag na een driedubbele Grand Marnier en een broodje ossenworst (ook voor hond Iggy), begon schrijfster Annie M.G. Schmidt pas te tikken als de opdrachtgevers bezorgd aan de telefoon hingen (‘Het aarzelen staat me nader dan het toetreden’) en bouwde grootgrutter Albert Heijn aan zijn imperium door tijdens vergaderingen onafgebroken te droedelen. Hoe essayist Bas Heijne tot zijn verhandelingen komt zal u ook verrassen. Jazeker, in de verhalen die u in dit boek aantreft is sprake van zowel ontluistering als mythologisering, maar in beide gevallen zult u zich net als ik getroost voelen: u bent niet alleen.

Dagelijkse rituelen ligt vanaf nu in de boekwinkel en is te koop via onze webshop.

Je bent wat je doet-mijlpaal: 10.000 exemplaren verkocht!

Van Je bent wat je doet van Roos Vonk zijn al meer dan 10.000 exemplaren verkocht! We zijn apetrots en feliciteren Roos hierbij ook van harte. In april 2015 verschijnt Roos haar nieuwe boek Collega’s en andere ongemakken waarin ze wederom met veel kennis van zaken en met scherpe en luchtige observaties de psychologische kronkels van de mens toont. Met de inzichten uit de boeken van Roos Vonk kun je het beste uit jezelf én uit de mensen om je heen halen.

Wij zitten klaar… Op naar een wereldrecord!