Vers van de pers

Ik heb ook een advies

In het voorwoord van Dit wil je weten schrijven redacteuren Mark Geels en Tim van Opijnen:

We beseffen dat deze bundel van adviezen bijlange na niet uitputtend is en we waarschijnlijk belangrijke  inzichten over het hoofd hebben gezien. Daarom willen we het nu ook omdraaien en u de vraag stellen: welk inzicht uit uw vakgebied, kan anderen helpen in het dagelijks leven?

Voor iedereen die ook een advies wil aandragen, hieronder staan de editorial marching orders en de brief van Paulien Cornelisse. Bijdragen kun je sturen naar nederlandinideeen@mavenpublishing.nl en zullen op deze site geplaatst worden. We kijken uit naar je advies!

***

‘Beste denkers, wetenschappers, en mensen die de wereld beter begrijpen dan ik,

Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?

Ik realiseer me dat deze vraag misschien een beetje irritant overkomt. Stel, u doet theoretische natuurkunde, dan moet u waarschijnlijk op menig verjaardag antwoord geven op de schamperende vraag: “En wat hebben wíj daaraan?” En misschien komt er dan ook nog iemand om de hoek met “van onze belastingcenten”.
Zo is mijn vraag dus niet bedoeld. Waar ik meer in geïnteresseerd ben, zijn specifieke inzichten uit uw vakgebied die u ook als nuttig ervaart in het dagelijks leven.
Dit kan een inzicht zijn dat rechtstreeks toepasbaar is, maar het kan ook zijn dat u een onverwachte parallel ziet tussen een inzicht uit uw vakgebied en een situatie in het dagelijks leven. Hoe specifieker hoe beter.
Ik zou het heel leuk vinden als u minstens één keer het woord “ik” wilt gebruiken en iets uit uw persoonlijke leven in uw antwoord wilt verwerken.
Ik kijk uit naar uw antwoord in honderdvoud,

Met vriendelijke groet,
Paulien Cornelisse’

***

EDITORIAL MARCHING ORDERS

Nederland in Ideeën 2015

1. De vraag luidt: ‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

2. Beperk je antwoord tot maximaal 750 woorden. Korter mag natuurlijk ook.

3. Gebruik minimaal één keer het woord ‘ik’. De lezer is het meest geïnteresseerd in jouw persoonlijke visie, niet die van je organisatie of vakgebied.

4. Vertel iets nieuws, iets dat waar is, iets onverwachts en bovenal iets interessants. Of je nu een thrillerschrijver, entrepreneur of theoretisch fysicus bent, je hebt vast inzichten verkregen door je werk waaruit praktische tips voor anderen te distilleren zijn.

5. Het inzicht dat je beschrijft hoeft niet ‘groots’ te zijn: het kan ook op een heel klein onderdeel van het dagelijks leven van toepassing zijn en als subtiele les voor de lezer dienen.

6. Het inzicht mag, maar hoeft niet, van praktische aard te zijn. Het mag bijvoorbeeld ook betrekking hebben op een manier van denken of een bepaald perspectief dat je de lezer wilt meegeven.

7. Onthoud je van zelfpromotie, het refereren aan eigen boeken / artikelen / producten, het ten tonele brengen van stokpaardjes of het bepleiten van partijpolitiek. Ook is dit niet de plek voor een persoonlijke afrekening.

8. Schrijf een op zichzelf staand stuk: gebruik geen voetnoten of hyperlinks en blijf op de pagina.

9. Geef je stuk een korte, pakkende titel die betrekking heeft op jouw antwoord, niet op onze vraag. (Anders gaan alle titels op elkaar lijken.)

10. Ten slotte. Bovenaan elke bijdrage komen een paar steekwoorden over de auteur. Doe dit ook voor jezelf in het volgende format:

Barack Obama

44ste president van de USA; voormalig buurtwerker Chicago; auteur van Dreams of my Father en Audacity of Hope.

Ontdek: waarom mensen van ‘er zat mayonaise op mijn wang tijdens dat afspraakje’ naar ‘ik zal eenzaam sterven’ gaan

Uit: Feedback is een cadeautje (zelfs als het ongevraagd, onduidelijk en onterecht is en je er echt even geen zin in hebt)

‘Gevoelens beïnvloeden niet alleen hoe we ons het verleden herinneren, maar ook hoe we over de toekomst denken. Als we ons slecht voelen, nemen we aan dat we ons voorgoed slecht zullen voelen. Je voelt je vernederd door je belabberde presentatie bij de lancering van de joint venture en neemt aan dat je je tot aan je laatste levenssnik precies zo vernederd zult voelen.

We geven ons over aan rampzalige gedachten en onze verhalen kunnen door een sneeuwbaleffect onbeheersbaar worden, wat misschien nog wel erger is. Een specifiek en beperkt beetje feedback verandert gestaag in een steeds omineuzere toekomstige ramp: ‘Er zat mayonaise op mijn wang tijdens dat afspraakje’ wordt ‘ik zal eenzaam sterven’.

Het verbijsterende aan deze vervormingen is hoe realistisch ze op het moment zelf op ons overkomen. Op grond van het gezond  verstand zou je denken: hoe breder de kloof tussen onze gedachten en de realiteit, hoe groter de kans dat we zien dat die twee niet met elkaar overeenkomen. Maar we kunnen die kloof niet zien als we erin zitten, tenzij we er bewust naar zoeken, en dus is de grootte ervan niet relevant.

De sterke gevoelens die door feedback worden uitgelokt kunnen ervoor zorgen dat we een vertekend beeld krijgen van het verleden, het heden en de toekomst. Om ons evenwicht te herstellen zodat we de feedback correct kunnen inschatten, moeten we dus eerst onze gedachten terugspoelen en corrigeren. Als we eenmaal een realistische kijk op de feedback hebben, kunnen we echt proberen er iets van te leren.’

Ontdek: hoe je jezelf googelt als je feedback krijgt

Uit: Feedback is een cadeautje (zelfs als het ongevraagd, onduidelijk en onterecht is en je er echt even geen zin in hebt)

‘De verontrustende feedback van vandaag kan ons verhaal over gisteren beïnvloeden: ineens schieten alle vernietigende bewijzen van oude fouten, verkeerde keuzes en misdragingen uit het verleden je te binnen. Het lijkt een beetje op een zoekopdracht op Google.

Als je zoekt naar ‘dictators’ krijg je 8,4 miljoen hits met vermeldingen van dictators. Overal lijken dictators te zitten; je kunt je kont niet keren of je komt er een tegen. Dat betekent echter niet dat de meeste mensen dictators zijn of dat de meeste landen bestuurd worden door een dictator. Als je je allemaal dictatorverhalen in het hoofd haalt, betekent dat nog niet dat er meer dictators zijn en als je de dictatorverhalen negeert, betekent dat nog niet dat er minder zijn.

Als je ontevreden bent over jezelf, googel je in feite ‘dingen die niet aan mij deugen’. Er komen 8,4 miljoen sites tevoorschijn en ineens ben je waardeloos. Je stuit op sponsored ads  van je ex-liefjes, je vader en je baas. Je kunt niets bedenken wat je goed hebt gedaan.

Iedereen ervaart deze vervormingen op zijn eigen manier. Marc beschrijft hoe de ‘Google-bias’ zich in zijn geval manifesteert:

De feedback is misschien onbeduidend, maar als ik me kwetsbaar voel is het net alsof ik door de grond zak en in de kelder beland waar alles ligt opgehoopt waar ik ooit spijt van had. Het is net alsof al die dingen tegelijkertijd, op dit moment, plaatsvinden. Ik voel me schuldig jegens de mensen die ik heb gekwetst en schaam me voor de zelfzuchtige dingen die ik heb gedaan. Als ik niet in die kelder ben denk ik daar letterlijk nooit aan. Maar als ik erin zit is het de enige realiteit, ik word omringd door mijn fouten en ik kan niet geloven dat ik ooit gelukkig ben geweest.

Als je je goed voelt slaat de Google-bias natuurlijk de andere kant op en toont deze de successen en de verstandige en grootmoedige keuzes die onverbiddelijk hebben geleid tot je rijke leven. Je slingert heen en weer en dat is altijd zo geweest. Als het om je verhalen over jezelf gaat, krijg je wat je googelt.

Als we gelukkig en gezond zijn, zijn we in staat om negatieve feedback te beperken tot het bekritiseerde onderwerp of de bekritiseerde eigenschap en de persoon die de kritiek levert. We horen de feedback zoals deze is bedoeld. Als iemand tegen je zegt dat je vals zingt, denk je bij jezelf: Oké, hij vindt dat ik vals zing. De feedback gaat over onze zangkunst. En is afkomstig van één persoon.

Als je ten prooi valt aan krachtige emoties, klotst de negatieve feedback echter over grenzen heen naar andere terreinen van je zelfbeeld: Zing ik vals? Ik doe ook niks goed. We schieten van ‘het kost me moeite om bepaalde transacties voor elkaar te krijgen’ door naar ‘ik ben ongeschikt voor mijn werk’ en van ‘mijn collega stoort zich ergens aan’ naar ‘alle teamleden haten me’.

Door deze overstroming kan elke positieve eigenschap die het beeld in evenwicht zou kunnen brengen, worden overstelpt. Of je vals zingt verandert niets aan je langdurige inzet voor liefdadigheidswerk binnen je gemeenschap, je enorme toewijding aan je dochter of je ongeëvenaarde sudderlapjes. Maar dat wordt allemaal weggespoeld als het ons teveel wordt.’

Ontdek: of je inwendige stem letterlijk in je hoofd zit

Uit: Feedback is een cadeautje (zelfs als het ongevraagd, onduidelijk en onterecht is en je er echt even geen zin in hebt)

‘Je inwendige stem is net een persoonlijk assistent wiens taak het is ervoor te zorgen dat niemand je lastigvalt: ‘Het spijt me, mevrouw Jansen is momenteel bezet. Ze wordt opgeslokt door haar gedachten over hoe onaardig je altijd tegen haar doet. Misschien kunt u het later nog eens proberen.’

Als je wordt uitgelokt verandert je inwendige stem van assistent in een gewapende lijfwacht. Als je baas, de chef-kok, schreeuwt: ‘Als je het niet kunt bijhouden, verdwijn dan maar uit mijn keuken!’ schiet je inwendige stem je te hulp en schreeuwt deze terug (in je hoofd): ‘Als je deze #*@$!-keuken fatsoenlijk zou uitrusten, zou het me misschien lukken!’ De chef-kok kan je gebruikelijke assistent misschien wel passeren, maar niemand komt langs je lijfwacht.

Recent hersenonderzoek wijst erop dat deze lijfwachtdynamiek geen kwestie is van: ‘het zit gewoon in je hoofd’. Hij zit letterlijk in ons hoofd.

Tania Singer van het Institute of Cognitive Neuroscience in Londen onderzoekt met behulp van FMRI de neurale processen die met empathie lijken samen te hangen. Singer en collega’s onderzochten bij stellen de hersenactiviteit van een van de partners (de vrouw) onder twee omstandigheden. Eerst diende Singer de vrouw, die in het FMRI-apparaat lag, een elektrische schok toe via een elektrode die op haar achterhoofd was vastgeplakt, en ze bracht de hersenactiviteit in kaart terwijl de vrouw de schokervaring verwerkte (we weten niet of er veel vrijwilligers bij Singer terugkeren).

Vervolgens diende Singer een vergelijkbare schok toe aan de hand van de partner, die vlakbij en in het zicht van de vrouw op een stoel zat. Nu komt het interessante: de hersenactiviteit van de vrouw vertoonde eenzelfde patroon toen ze zag dat haar  partner een schok kreeg als toen ze zelf een schok kreeg.

De patronen waren niet volkomen identiek. Toen de vrouw zag dat haar geliefde een schok kreeg, lichtten de hersendelen die fysieke pijn registreren niet op (ze voelde de fysieke pijn zelf niet), maar de hersendelen die de emotionele ervaring van een schok registreren lichtten wel op. Dit verschijnsel wordt wel aangeduid als de ‘gespiegelde neurale reactie’, en wijst erop dat mensen een bedrading hebben voor empathie.

Singer breidde haar onderzoek uit en vroeg zich af of we altíjd mee lijden met de pijn of visie van anderen. Het antwoord is negatief.

Ze liet mensen naar een spel kijken waarin sommige deelnemers eerlijk speelden en andere vals. De toeschouwers vertoonden een gespiegelde neurale reactie als ze zagen dat sportieve spelers een schok kregen, maar ze vertoonden deze reactie niet als degenen die vals speelden een schok kregen toegediend. Sterker nog, bij sommige proefpersonen lichtte het gedeelte van de hersenen dat met genot en wraak samenhangt op als ze zagen dat valsspelers een schok kregen.  Conclusie? Empathie zit ons ingebakken, maar alleen jegens mensen van wie we menen dat ze zich fatsoenlijk gedragen.

Wat is het verband met feedback? Als we feedback krijgen die oneerlijk of onjuist lijkt, als we ons onvoldoende gewaardeerd voelen of vinden dat we slecht worden behandeld, kunnen onze empathie en nieuwsgierigheid neurologisch gezien worden uitgeschakeld.

Luisteren tijdens een moeilijk feedbackgesprek gaat dus niet vanzelf. Zelfs diegenen onder ons die in een andere context welwillende luisteraars zijn, kunnen er moeite mee hebben om nieuwsgierigheid op te brengen als ze het gevoel hebben te worden getriggerd.’

Ontdek: de 3 dingen die je van jezelf moet accepteren

Uit Feedback is een cadeautje (zelfs als het ongevraagd, onduidelijk en onterecht is en je er echt even geen zin in hebt):

Niemand is volmaakt en onder gelijke omstandigheden kun je maar beter niet geloven dat je dat wel bent – niet alleen omdat je dan een minder aangename gast op feestjes bent maar ook omdat je daardoor minder leert van feedback. In ons eerdere boek Difficult conversations noemden we drie dingen die je van jezelf moet accepteren en die herhalen we nu graag:
1  Je zult fouten maken
2  Je hebt complexe intenties en
3  Je hebt bijgedragen aan het probleem.
De acceptatie ervan is een levenslang project, maar als je daaraan werkt is het gemakkelijker om moeilijke feedback te verwerken.’

Het inzicht van Boris van der Ham

Oeps! Je hebt de enige bijdrage uit ‘Dit wil je weten’ gevonden die nog niet online staat.

Kom hier binnenkort terug voor het advies van Boris van der Ham over hoe je goed aan de top kunt functioneren en het belang van een open geest én open ogen.

Klik hier om naar het volgende antwoord te gaan (en die staat wél online, beloofd)

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de online expositie Nederland in ideeën

Het inzicht van Peter Verstraten

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Peter Verstraten. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Exclusieve cinema, voor iedereen

Wie eind vorige eeuw een oude filmklassieker wilde zien, was aangewezen op een toevallige screening, de lokale videotheek of wat de televisie per ongeluk uitzond. Ikzelf bouwde in de jaren negentig een grote vhs-collectie op, maar hoe verwoed ik ook films opnam, er bleven vele lacunes in de verzameling. Met de komst van dvd’s, voor het eerst op de markt vanaf 1997, heb ik de videobanden kunnen vervangen door kwalitatief beter, soms bijna té scherp beeldmateriaal. Ik heb daarom ook geen nostalgie naar de vhs-periode, maar verlang soms nog wel naar het verlangen. In een tijdperk waarin nagenoeg alles beschikbaar is gekomen, is mijn wensenlijst vrij schraal geworden. De urgentie om iets schier onvindbaars te zoeken, is weggeëbd. Als vroeger in de nacht een zeldzame film werd uitgezonden, was ik ’s ochtends gespannen of ik de video goed had ingesteld en ging ik controleren of het einde er daadwerkelijk op stond. Ha, joepie, ik behoorde tot het selecte clubje dat Kiss Me Deadly (Robert Aldrich, 1955) op tape had, ook al was het in een Duits nagesynchroniseerde versie. Als ik tegenwoordig een langgezochte film op dvd tegenkom, voelt het als een persoonlijke belediging als die tegen een dumpprijs te koop is. In mijn beleving zo waardevol, nu verramsjt.

Vanwege de digitalisering is een enorme filmbibliotheek ontsloten, die er in mijn geval voor heeft gezorgd dat veel van mijn boeken aan het zicht zijn onttrokken door de verzameling dvd’s. Dankzij het veelvuldig (thuis) consumeren van films is bovendien ons beeldvocabulaire zozeer gegroeid dat regisseurs graag met talloze verwijzingen strooien. Als we die referenties herkennen, levert dat als bonus het prettige gevoel op dat we visueel ‘geletterd’ zijn. Verder kunnen we dankzij digitale technologie een film uitvoerig bestuderen, hetgeen de aanzet heeft gegeven tot het op YouTube populaire fenomeen van de recut-trailers. We kennen Kubricks The Shining (Stanley Kubrick, 1980) als enge horror, maar door een slimme selectie van scènes en een andere soundtrack kan een herbewerkte trailer de indruk van een romantische komedie wekken.

De belangrijkste omwenteling die het internettijdperk voor de cinema teweeg heeft gebracht, is dat elke kijker ook criticus kan spelen door zelf user reviews te schrijven, door films met cijfers te beoordelen op websites en door te discussiëren op speciale fora. Dat heeft er vreemd genoeg toe geleid dat filmliefhebbers van weleer hun smaak moesten herzien. Vroeger was mijn kijkplezier tamelijk ‘exclusief’: ik kon er wel op speculeren dat mijn gehoor Out of the Past (Jacques Tourneur, 1947) niet had gezien, dus kon ik die film gerust omstandig prijzen. Nu kan men gemakkelijk controleren of mijn loftuiting wel hout snijdt. Ja hoor, zal men doorgaans beamen, erg goede film, terecht een klassieker, maar daarmee ook een veilige keus. Het is steeds meer een sport geworden om uit dat enorme beschikbare aanbod het uitzonderlijke te vissen, dat wat altijd onder de radar van de filmgeschiedenis is gebleven. Sinds de digitalisering is een sterkere voorkeur voor buitenissige cinema ontstaan, voor zogeheten ‘cult’. Aan het hoog opgeven van een canonieke film valt weinig eer te behalen voor de fanatieke user/blogger, maar wie iets bizars vindt, heeft de neiging dat op een voetstuk te plaatsen. Met name (film)studenten ontlenen er een zekere identiteit aan om prat te gaan op hun waardering voor vreemdsoortige films. Naarmate het afstuderen nadert, voelen ze dat ze op de drempel van de volwassen wereld met bijbehorende verantwoordelijkheden komen te staan, maar ze willen nog graag een hang naar het tegendraadse etaleren. Een onorthodoxe filmsmaak functioneert dan als strohalm van het verlangen om non-conformistisch te zijn, onder het mom: ‘Ik ga straks keurig de banenmarkt op, maar zie mijn filmlijst, er schuilt toch nog een rebelse inborst in me.’ Filmwetenschapper Jeffrey Sconce heeft er eens op gewezen dat dergelijke studenten hun excentrieke voorkeuren legitimeren door zich tegen de canon van hun filmdocenten af te zetten: ‘mijn’ geliefde (maar eigenlijk wanstaltige) film bedient zich van net zulke vervreemdende kunstgrepen als het beste van Jean-Luc Godard of van Douglas Sirk.

Onze (film)voorkeuren zijn een onderdeel van hoe we ons profileren; we boetseren onze identiteit aan de hand van allerlei lijstjes – al dan niet op sociale media. Gevraagd naar mijn lievelingscineasten, stak ik doorgaans de geijkte riedel af over Hitchcock, Bergman, Godard. Maar aangewakkerd door het elan van jonge cinefielen, is mijn smaak opgerekt. Ik heb steeds meer de neiging om lugubere films als Targets (Peter Bogdanovich, 1968) en Possession (Andrzej Żuławski, 1981) te propageren of atypische keuzes voor Wildschut (Bobby Eerhart, 1985) en Election (Alexander Payne, 1999) te gaan rechtvaardigen. Of zou dat een signaal zijn van een naderende midlifecrisis?

Peter Verstraten

Voorzitter Film- en Literatuurwetenschap, Universiteit Leiden

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Zef Hemel

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Zef Hemel. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Bouw niet hoger, maar ook niet lager

Dat een bouwhoogte van niet meer dan vijf tot zes verdiepingen in vrijwel alle steden in de wereld door de eeuwen heen gebruikelijk was en dat dit steeds tot heel levendige en leefbare steden heeft geleid, ongeacht de cultuur of het klimaat, vind ik een mooie en ook bruikbare gedachte voor iedereen. Stel, u zoekt een buurt in een stad om te wonen of te werken, dan kan ik u aanraden uw aandacht in de eerste plaats te richten op die wijken en buurten waar de gebouwen gemiddeld genomen niet lager of hoger reiken dan zes bouwlagen. Een leefbare buurt, zeg ik u, is dan bijna gegarandeerd. Want geloof het of niet, u zult er doorgaans voldoende winkels, scholen en voorzieningen aantreffen op loopafstand van uw woning of kantoor, er zullen voldoende kleine parken zijn waar u met uw kinderen kunt verpozen, er zal voldoende aanbod zijn van openbaar vervoer dat u brengt naar de gewenste bestemmingen, kortom: alles wat in de dagelijkse behoeften van u en uw dierbaren voorziet, zal aanwezig zijn indien de gemiddelde bouwhoogte de zes lagen benadert.

Maar het gaat verder. Buurten als die ik bedoel geven u meestal ook de beste beschutting tegen wind, zon, hitte en regen; ze leveren doorgaans het beste microklimaat op voor gewone mensen zoals u en ik. Ook zullen er relatief veel mensen te voet gaan, waardoor er voldoende stoepen zijn en de straten niet te breed, en bijna overal is voldoende drukte en vertier. Dat maakt deze buurten doorgaans ook veiliger, althans ze geven u en de uwen een rustiger en veiliger gevoel doordat er zo veel oplettende mensen op elk moment van de dag aanwezig zijn. Bovendien worden uw ogen in dergelijke buurten voortdurend behaagd door het prettige formaat van de bouwmassa’s, de gevels en de architectuur, die niet te veel zullen imponeren, maar u ook niet zullen vervelen. Architecten hebben er dikwijls hun beste werk geëtaleerd. En overal heerst nog een menselijke maat.

Waarom we dergelijke buurten bijna niet meer bouwen, begrijp ik niet. Of nee, ik begrijp het heel goed. Want ik weet dat er begin twintigste eeuw een revolutie plaatsvond in de stedenbouw door de technische vinding van de lift en de roltrap enerzijds en die van de auto anderzijds. De eerste maakte heel hoge flatgebouwen mogelijk, de tweede villawijken en woonbuurten van hoofdzakelijk rijtjeshuizen en uitgestrekte bedrijventerreinen waar gewone stervelingen als u en ik niets te zoeken hebben en ook liever niet komen. Mensen hoefden in ieder geval geen trappen meer te lopen. Tot zes hoog ging dat vroeger nog wel, maar leuk was het niet. Vandaar die maximale bouwhoogte. De hoogste verdiepingen van gebouwen waren trouwens meestal bestemd voor het personeel, de lagere voor de rijken. Ineens echter veranderde alles. Architecten, ontwikkelaars en economen creëerden nieuwe markten en nieuwe urbane landschappen die eerder niet of nauwelijks denkbaar waren geweest en die door veel mensen comfortabel en profijtelijk werden gevonden.

Met de nieuwe technische leefomgevingen van mensen – suburbs, hoogbouwwijken – is op zichzelf helemaal niets mis, maar de leefbaarheid kon hierdoor niet langer worden gegarandeerd. Steden raakten uit balans, voortdurend moesten nieuwe oplossingen worden gezocht voor onverwachte problemen: congestie, onvoldoende bereikbaarheid van voorzieningen, hittevorming, luchtvervuiling, geluidsoverlast, windhinder, gezondheidsklachten, psychische stoornissen door drukte, stilte, eenzaamheid, criminaliteit. Ik zeg niet dat steden opgetrokken uit gebouwen van gemiddeld zes bouwlagen altijd helemaal zonder problemen zullen zijn. Wel stel ik vast dat duurzaamheid en leefbaarheid nauw met elkaar samenhangen en dat deze met verhoging dan wel verlaging van de stedelijke dichtheid danig op de proef worden gesteld. Het zijn allemaal problemen die gemakkelijk voorkomen hadden kunnen worden als alle steden in een dichtheid van gemiddeld vijf tot zes bouwlagen waren gebouwd. Noem het een natuurwet. Dat is wat anders dan de economische wetmatigheid die tegenwoordig de gebouwde omgeving domineert.

Zef Hemel

Hoogleraar Grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Steven Schuit

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Steven Schuit. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Wee, o wee de goedgelovigen

Als advocaat ben ik altijd gefascineerd door de vraag of een nog te maken afspraak afdwingbaar zal blijken te zijn. Voor de praktijk is dan belangrijk om ook na te gaan of het waarschijnlijk is dat de afspraak vanzelf wordt nagekomen, dus zonder dat de afspraak hoeft te worden afgedwongen. Dat vergt inzicht in de achterliggende motieven van de persoon of organisatie waarmee de afspraak gemaakt wordt. De eigenlijke motieven zijn zelden volstrekt helder. Vrijwel altijd hebben partijen een dubbele agenda.

Of alle dieren een dubbele agenda hebben, weet ik niet. Maar mijn hond had die zeker, en ik ken geen mensen die hem niet ook hebben. Niet alleen een dubbele agenda, maar een veelvoud daarvan, en die zijn ook nog aan verandering onderhevig, soms volstrekt onverwacht. Dat alles hangt natuurlijk ook van het onderwerp af. We willen allemaal meer dan één ding tegelijk. We zijn ook innerlijk tegenstrijdig in onze verlangens. Multivalent en ambivalent. Niets mis mee.

Maar bij het maken van afspraken gaat het daardoor vaak volkomen mis. We weten dat met enig nadenken, maar we vergeten het vaak, juist als het belangrijk wordt, als we een bíndende afspraak willen maken. De meeste afspraken die we maken, hebben niet het oogmerk bindend te zijn. We zeggen op tijd te komen, maar komen stelselmatig te laat. We zeggen aardig te zullen zijn, maar vallen woedend uit. Allemaal niet bindend. Maar veel afspraken hebben het oogmerk wél bindend te zijn, zelfs al zijn ze niet afdwingbaar (door tussenkomst van de rechter of met machtsmiddelen, zoals geweld). Juist dan rijst de vraag wat de andere, buitencontractuele, agenda’s zijn van de partijen, nu en in de relevante toekomst. Die andere agenda’s bepalen de vanzelfsprekendheid van de nakoming.

Het afdwingen van de nakoming is altijd lastig, soms onmogelijk. Denk aan het bekende verschil tussen ‘recht hebben’ en ‘recht krijgen’. Het afdwingen kan ook veel tijd vergen en grote kosten meebrengen. Zo mogelijk nog erger is de grote schade in de onderlinge verhoudingen die met het afdwingen van recht gepaard kan gaan. Je moet vaak met elkaar verder, nu of straks, en dat is zeker het geval in ons kleine land. Juist die relationele schade maakt dat partijen ervan afzien om nakoming te vorderen. Liever geen of gedeeltelijke nakoming dan een breuk in de verhouding met de wederpartij.

Dat zie je het sterkst bij de relatie tussen arts en patiënt en bij een vergelijkbare relatie tussen partijen met een zeer ongelijke positie. Ook in de verhouding tussen de burger en de overheid speelt het veelvuldig. In het laatste geval is dat extra vervelend omdat de overheid een niet te vertrouwen contractspartij is. Per definitie. Niet omdat overheidsdienaren onbetrouwbaar zijn, maar omdat zij dienend zijn aan politici die steeds politieke wind moeten blijven vangen om in de gunst te blijven van het wispelturige electoraat. Politici worden daardoor steeds in de verleiding gebracht om te laveren tussen de gemaakte afspraken door, of er dwars doorheen.

Bedrijven komen afspraken vaak ook na om reputatieschade te voorkomen. Natuurlijke personen zijn niet noodzakelijk beter dan bedrijven, maar zij hebben vaak nog een geweten waarop een beroep kan worden gedaan als een afspraak niet wordt nagekomen. Overheden en bedrijven zijn geen natuurlijke personen; die hebben geen geweten.

Alleen naïeve mensen geloven in de goede afloop van een afspraak. Het probleem zit in de weerstand die we hebben tegen argwaan, de tegenpool van naïviteit. Je krijgt geen compliment als je zegt argwanend te zijn. Erger nog: er zijn filosofen en theologen die beweren dat mensen geneigd zijn tot het goede. Ik beweer niet dat mensen per se kwaad willen, maar wel dat ze veelvuldig onder een afspraak uit proberen te komen, goedschiks, maar heel vaak ook kwaadschiks.

Het is dus zaak om bij het maken van een afspraak een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de waarschijnlijkheid dat de afspraak inderdaad vanzelf wordt nagekomen, dit door naar beste weten de andere agenda’s van de wederpartij te onderkennen.

Hoe?

Mijn hond snuffelde altijd goed aan andere honden. Instinctief. Maar mensen blijken dat instinct kwijt te zijn. Wij moeten het doen met geschoolde argwaan, getraind door verstand en ervaring. Dat lijkt vanzelfsprekend. Maar doen wij dat als mensen wel genoeg? Nemen we de tijd en de moeite om ons echt grondig te verdiepen in de motieven van de wederpartij bij de afspraak? En hebben we ons een goed beeld gevormd van de diverse andere agenda’s van de wederpartij? En van de nu misschien al te bespeuren verleidingen om de te maken afspraak niet na te komen als dat te zijner tijd niet goed uitkomt?

Dan doemt meteen de vraag op of er dan, bij niet-nakoming, nog iets te heronderhandelen valt. Onderhandelen zonder een onderhandelingspositie leidt tot niets; moeten we bij het maken van de afspraak alvast een fall back-positie inbouwen?

Recht en macht zijn elkaars complementen. Ik ben blij dat ik in een rechtstaat leef. Maar het is misleidend te denken dat in een rechtstaat het recht altijd zegeviert over macht. Helaas. We moeten argwanend zijn, en als een hondje lang en grondig snuffelen aan de wederpartij.

Wee, o wee de goedgelovigen.

Steven Schuit

Advocaat; hoogleraar Corporate Governance Nyenrode Business Universiteit; commissaris; auteur van The Chairman makes or breaks the board (2010)

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Marian Joëls

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Marian Joëls. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Stress is goed!

Stress staat in een kwade reuk. Men líjdt aan stress, vooral werkstress, relatiestress of, nog erger, posttraumatische stress. Maar kan een mens goed functioneren zonder stress? Het antwoord is: nee.

Iedere potentiële bedreiging uit onze omgeving ervaren we – subjectief – als stress. Als reactie hierop maakt de bijnier twee hormonen aan, adrenaline en cortisol. Deze hormonen bereiken alle organen, maar doen alleen iets in die cellen waar aan de buitenkant ook een ‘ontvangermolecuul’, een receptor, zit die het signaal doorgeeft aan andere delen van de cel. Adrenaline zorgt ervoor dat we meteen kunnen reageren als gevaar dreigt. Wanneer je net je teen op het zebrapad hebt uitgestoken en er komt een motorfiets de hoek om scheuren die je van de sokken dreigt te rijden, kun je maar beter meteen je been terugtrekken. Daar hebben we adrenaline voor, het hormoon dat direct energie geeft om te handelen. Het probleem is dat onze energievoorraad snel is uitgeput; die moet weer aangevuld worden. Dat is de taak van cortisol. Samen zorgen deze stoffen ervoor dat we met stress om kunnen gaan, niet alleen op het moment zelf maar ook in de periode erna. Zo kunnen we ons aanpassen aan veranderingen in de omgeving.

Beide hormoonsystemen hebben ook invloed op de hersenen. Adrenaline zorgt er indirect voor dat in de hersenen een andere stof, noradrenaline, wordt afgegeven; cortisol kan zelf de hersenen binnenkomen. En dat blijft niet zonder gevolgen, want onze hersenen werken anders na stress.

Onderzoek van de laatste tien jaar heeft aangetoond wat er precies in de hersenen gebeurt in de eerste uren na stress. Aanvankelijk zorgt met name noradrenaline dat hersengebieden die met emotie te maken hebben, sterk worden geactiveerd. Maar het is een kwestie van energieverschuiving binnen de hersenen: wat extra wordt geïnvesteerd in de emotionele gebieden gaat ten koste van de ratio. Hersengebieden die een rol spelen bij het nemen van beslissingen, bij sociaal gedrag of bij het plaatsen van gebeurtenissen in de juiste context worden direct na stress allemaal op een laag pitje gezet. Dat is ook wat je verwacht van stress; je richt je aandacht direct op het potentiële gevaar, voor een meer gewogen oordeel is domweg geen tijd. Verrassender is wat er gebeurt enkele uren na stress, door cortisol. Niet alleen zijn mensen dan ‘bijgekomen’ van de stress, ze hebben zelfs een betere rationele hersenwerking en minder activiteit in de emotionele hersenkernen dan bij een controlebehandeling.

Dit is natuurlijk allemaal onderzocht onder zeer gecontroleerde omstandigheden in het laboratorium. Ons dagelijkse leven zit wat gecompliceerder in elkaar. Toch kunnen deze inzichten wel degelijk betekenis hebben voor het leven van alledag. Wat te denken van een beurshandelaar die onder grote druk verstrekkende financiële beslissingen moet nemen? In laboratoriumcondities laten mensen direct na stress meer emotionele dan rationele argumenten meespelen bij financiële transacties; ze weigeren bijvoorbeeld een financieel aanbod als ze vinden dat een ander te veel geld krijgt in verhouding tot wat ze zelf ontvangen, terwijl ze objectief gezien zelfs met dat onrechtvaardige aanbod winst maken. Het omgekeerde gebeurt enkele uren na stress: dan accepteert men de winst, ook als dat betekent dat een ander nog meer winst maakt. Dit principe blijft waarschijnlijk niet tot het laboratorium beperkt. Misschien zou de wereld er anders uitzien als de handelaren op Wall Street ‘uitgestelde’ beslissingen hadden mogen nemen; gewoon, thuis op de bank, met een kopje thee erbij. Dan kun je blijkbaar beter leven met het idee dat je het zelf goed hebt maar een ander misschien nog iets beter. Een ander veld waar onze inzichten wel eens nuttig zouden kunnen zijn, is in de onderwijswereld. Begrijpen hoe scholieren informatie beter onthouden en hoe gestrest ze daar precies voor moeten zijn, kan helpen om effectief belangrijke informatie over te brengen.

Al deze inzichten gaan over de betekenis van huis-tuin-en-keuken-stress voor de hersenen. Wat traumatische gebeurtenissen of langdurige en oncontroleerbare nare situaties doen met je lichaam en geest, is een heel ander verhaal. Dát is de stress die we beschouwen als stress die slecht voor ons is.

Een journalist vroeg mij eens of ik zelf iets had aan deze inzichten over stress. ‘Hebt u minder last van stress?’ Ik vrees dat ik ontkennend moest antwoorden. Als ik een deadline probeer te halen, een subsidieaanvraag is afgewezen, als de dag te kort lijkt om alles af te ronden… dan spuit ook bij mij de adrenaline uit mijn oren. Maar ik weet beter! Daarom staat op mijn bureau een bordje met de tekst stress is goed. Voor het geval ik het mocht vergeten.

Marian Joëls

Hoogleraar Neurowetenschappen, UMC Utrecht Hersencentrum

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie