Vers van de pers

Het inzicht van Boris van der Ham

Oeps! Je hebt de enige bijdrage uit ‘Dit wil je weten’ gevonden die nog niet online staat.

Kom hier binnenkort terug voor het advies van Boris van der Ham over hoe je goed aan de top kunt functioneren en het belang van een open geest én open ogen.

Klik hier om naar het volgende antwoord te gaan (en die staat wél online, beloofd)

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de online expositie Nederland in ideeën

Het inzicht van Peter Verstraten

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Peter Verstraten. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Exclusieve cinema, voor iedereen

Wie eind vorige eeuw een oude filmklassieker wilde zien, was aangewezen op een toevallige screening, de lokale videotheek of wat de televisie per ongeluk uitzond. Ikzelf bouwde in de jaren negentig een grote vhs-collectie op, maar hoe verwoed ik ook films opnam, er bleven vele lacunes in de verzameling. Met de komst van dvd’s, voor het eerst op de markt vanaf 1997, heb ik de videobanden kunnen vervangen door kwalitatief beter, soms bijna té scherp beeldmateriaal. Ik heb daarom ook geen nostalgie naar de vhs-periode, maar verlang soms nog wel naar het verlangen. In een tijdperk waarin nagenoeg alles beschikbaar is gekomen, is mijn wensenlijst vrij schraal geworden. De urgentie om iets schier onvindbaars te zoeken, is weggeëbd. Als vroeger in de nacht een zeldzame film werd uitgezonden, was ik ’s ochtends gespannen of ik de video goed had ingesteld en ging ik controleren of het einde er daadwerkelijk op stond. Ha, joepie, ik behoorde tot het selecte clubje dat Kiss Me Deadly (Robert Aldrich, 1955) op tape had, ook al was het in een Duits nagesynchroniseerde versie. Als ik tegenwoordig een langgezochte film op dvd tegenkom, voelt het als een persoonlijke belediging als die tegen een dumpprijs te koop is. In mijn beleving zo waardevol, nu verramsjt.

Vanwege de digitalisering is een enorme filmbibliotheek ontsloten, die er in mijn geval voor heeft gezorgd dat veel van mijn boeken aan het zicht zijn onttrokken door de verzameling dvd’s. Dankzij het veelvuldig (thuis) consumeren van films is bovendien ons beeldvocabulaire zozeer gegroeid dat regisseurs graag met talloze verwijzingen strooien. Als we die referenties herkennen, levert dat als bonus het prettige gevoel op dat we visueel ‘geletterd’ zijn. Verder kunnen we dankzij digitale technologie een film uitvoerig bestuderen, hetgeen de aanzet heeft gegeven tot het op YouTube populaire fenomeen van de recut-trailers. We kennen Kubricks The Shining (Stanley Kubrick, 1980) als enge horror, maar door een slimme selectie van scènes en een andere soundtrack kan een herbewerkte trailer de indruk van een romantische komedie wekken.

De belangrijkste omwenteling die het internettijdperk voor de cinema teweeg heeft gebracht, is dat elke kijker ook criticus kan spelen door zelf user reviews te schrijven, door films met cijfers te beoordelen op websites en door te discussiëren op speciale fora. Dat heeft er vreemd genoeg toe geleid dat filmliefhebbers van weleer hun smaak moesten herzien. Vroeger was mijn kijkplezier tamelijk ‘exclusief’: ik kon er wel op speculeren dat mijn gehoor Out of the Past (Jacques Tourneur, 1947) niet had gezien, dus kon ik die film gerust omstandig prijzen. Nu kan men gemakkelijk controleren of mijn loftuiting wel hout snijdt. Ja hoor, zal men doorgaans beamen, erg goede film, terecht een klassieker, maar daarmee ook een veilige keus. Het is steeds meer een sport geworden om uit dat enorme beschikbare aanbod het uitzonderlijke te vissen, dat wat altijd onder de radar van de filmgeschiedenis is gebleven. Sinds de digitalisering is een sterkere voorkeur voor buitenissige cinema ontstaan, voor zogeheten ‘cult’. Aan het hoog opgeven van een canonieke film valt weinig eer te behalen voor de fanatieke user/blogger, maar wie iets bizars vindt, heeft de neiging dat op een voetstuk te plaatsen. Met name (film)studenten ontlenen er een zekere identiteit aan om prat te gaan op hun waardering voor vreemdsoortige films. Naarmate het afstuderen nadert, voelen ze dat ze op de drempel van de volwassen wereld met bijbehorende verantwoordelijkheden komen te staan, maar ze willen nog graag een hang naar het tegendraadse etaleren. Een onorthodoxe filmsmaak functioneert dan als strohalm van het verlangen om non-conformistisch te zijn, onder het mom: ‘Ik ga straks keurig de banenmarkt op, maar zie mijn filmlijst, er schuilt toch nog een rebelse inborst in me.’ Filmwetenschapper Jeffrey Sconce heeft er eens op gewezen dat dergelijke studenten hun excentrieke voorkeuren legitimeren door zich tegen de canon van hun filmdocenten af te zetten: ‘mijn’ geliefde (maar eigenlijk wanstaltige) film bedient zich van net zulke vervreemdende kunstgrepen als het beste van Jean-Luc Godard of van Douglas Sirk.

Onze (film)voorkeuren zijn een onderdeel van hoe we ons profileren; we boetseren onze identiteit aan de hand van allerlei lijstjes – al dan niet op sociale media. Gevraagd naar mijn lievelingscineasten, stak ik doorgaans de geijkte riedel af over Hitchcock, Bergman, Godard. Maar aangewakkerd door het elan van jonge cinefielen, is mijn smaak opgerekt. Ik heb steeds meer de neiging om lugubere films als Targets (Peter Bogdanovich, 1968) en Possession (Andrzej Żuławski, 1981) te propageren of atypische keuzes voor Wildschut (Bobby Eerhart, 1985) en Election (Alexander Payne, 1999) te gaan rechtvaardigen. Of zou dat een signaal zijn van een naderende midlifecrisis?

Peter Verstraten

Voorzitter Film- en Literatuurwetenschap, Universiteit Leiden

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Zef Hemel

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Zef Hemel. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Bouw niet hoger, maar ook niet lager

Dat een bouwhoogte van niet meer dan vijf tot zes verdiepingen in vrijwel alle steden in de wereld door de eeuwen heen gebruikelijk was en dat dit steeds tot heel levendige en leefbare steden heeft geleid, ongeacht de cultuur of het klimaat, vind ik een mooie en ook bruikbare gedachte voor iedereen. Stel, u zoekt een buurt in een stad om te wonen of te werken, dan kan ik u aanraden uw aandacht in de eerste plaats te richten op die wijken en buurten waar de gebouwen gemiddeld genomen niet lager of hoger reiken dan zes bouwlagen. Een leefbare buurt, zeg ik u, is dan bijna gegarandeerd. Want geloof het of niet, u zult er doorgaans voldoende winkels, scholen en voorzieningen aantreffen op loopafstand van uw woning of kantoor, er zullen voldoende kleine parken zijn waar u met uw kinderen kunt verpozen, er zal voldoende aanbod zijn van openbaar vervoer dat u brengt naar de gewenste bestemmingen, kortom: alles wat in de dagelijkse behoeften van u en uw dierbaren voorziet, zal aanwezig zijn indien de gemiddelde bouwhoogte de zes lagen benadert.

Maar het gaat verder. Buurten als die ik bedoel geven u meestal ook de beste beschutting tegen wind, zon, hitte en regen; ze leveren doorgaans het beste microklimaat op voor gewone mensen zoals u en ik. Ook zullen er relatief veel mensen te voet gaan, waardoor er voldoende stoepen zijn en de straten niet te breed, en bijna overal is voldoende drukte en vertier. Dat maakt deze buurten doorgaans ook veiliger, althans ze geven u en de uwen een rustiger en veiliger gevoel doordat er zo veel oplettende mensen op elk moment van de dag aanwezig zijn. Bovendien worden uw ogen in dergelijke buurten voortdurend behaagd door het prettige formaat van de bouwmassa’s, de gevels en de architectuur, die niet te veel zullen imponeren, maar u ook niet zullen vervelen. Architecten hebben er dikwijls hun beste werk geëtaleerd. En overal heerst nog een menselijke maat.

Waarom we dergelijke buurten bijna niet meer bouwen, begrijp ik niet. Of nee, ik begrijp het heel goed. Want ik weet dat er begin twintigste eeuw een revolutie plaatsvond in de stedenbouw door de technische vinding van de lift en de roltrap enerzijds en die van de auto anderzijds. De eerste maakte heel hoge flatgebouwen mogelijk, de tweede villawijken en woonbuurten van hoofdzakelijk rijtjeshuizen en uitgestrekte bedrijventerreinen waar gewone stervelingen als u en ik niets te zoeken hebben en ook liever niet komen. Mensen hoefden in ieder geval geen trappen meer te lopen. Tot zes hoog ging dat vroeger nog wel, maar leuk was het niet. Vandaar die maximale bouwhoogte. De hoogste verdiepingen van gebouwen waren trouwens meestal bestemd voor het personeel, de lagere voor de rijken. Ineens echter veranderde alles. Architecten, ontwikkelaars en economen creëerden nieuwe markten en nieuwe urbane landschappen die eerder niet of nauwelijks denkbaar waren geweest en die door veel mensen comfortabel en profijtelijk werden gevonden.

Met de nieuwe technische leefomgevingen van mensen – suburbs, hoogbouwwijken – is op zichzelf helemaal niets mis, maar de leefbaarheid kon hierdoor niet langer worden gegarandeerd. Steden raakten uit balans, voortdurend moesten nieuwe oplossingen worden gezocht voor onverwachte problemen: congestie, onvoldoende bereikbaarheid van voorzieningen, hittevorming, luchtvervuiling, geluidsoverlast, windhinder, gezondheidsklachten, psychische stoornissen door drukte, stilte, eenzaamheid, criminaliteit. Ik zeg niet dat steden opgetrokken uit gebouwen van gemiddeld zes bouwlagen altijd helemaal zonder problemen zullen zijn. Wel stel ik vast dat duurzaamheid en leefbaarheid nauw met elkaar samenhangen en dat deze met verhoging dan wel verlaging van de stedelijke dichtheid danig op de proef worden gesteld. Het zijn allemaal problemen die gemakkelijk voorkomen hadden kunnen worden als alle steden in een dichtheid van gemiddeld vijf tot zes bouwlagen waren gebouwd. Noem het een natuurwet. Dat is wat anders dan de economische wetmatigheid die tegenwoordig de gebouwde omgeving domineert.

Zef Hemel

Hoogleraar Grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Steven Schuit

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Steven Schuit. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Wee, o wee de goedgelovigen

Als advocaat ben ik altijd gefascineerd door de vraag of een nog te maken afspraak afdwingbaar zal blijken te zijn. Voor de praktijk is dan belangrijk om ook na te gaan of het waarschijnlijk is dat de afspraak vanzelf wordt nagekomen, dus zonder dat de afspraak hoeft te worden afgedwongen. Dat vergt inzicht in de achterliggende motieven van de persoon of organisatie waarmee de afspraak gemaakt wordt. De eigenlijke motieven zijn zelden volstrekt helder. Vrijwel altijd hebben partijen een dubbele agenda.

Of alle dieren een dubbele agenda hebben, weet ik niet. Maar mijn hond had die zeker, en ik ken geen mensen die hem niet ook hebben. Niet alleen een dubbele agenda, maar een veelvoud daarvan, en die zijn ook nog aan verandering onderhevig, soms volstrekt onverwacht. Dat alles hangt natuurlijk ook van het onderwerp af. We willen allemaal meer dan één ding tegelijk. We zijn ook innerlijk tegenstrijdig in onze verlangens. Multivalent en ambivalent. Niets mis mee.

Maar bij het maken van afspraken gaat het daardoor vaak volkomen mis. We weten dat met enig nadenken, maar we vergeten het vaak, juist als het belangrijk wordt, als we een bíndende afspraak willen maken. De meeste afspraken die we maken, hebben niet het oogmerk bindend te zijn. We zeggen op tijd te komen, maar komen stelselmatig te laat. We zeggen aardig te zullen zijn, maar vallen woedend uit. Allemaal niet bindend. Maar veel afspraken hebben het oogmerk wél bindend te zijn, zelfs al zijn ze niet afdwingbaar (door tussenkomst van de rechter of met machtsmiddelen, zoals geweld). Juist dan rijst de vraag wat de andere, buitencontractuele, agenda’s zijn van de partijen, nu en in de relevante toekomst. Die andere agenda’s bepalen de vanzelfsprekendheid van de nakoming.

Het afdwingen van de nakoming is altijd lastig, soms onmogelijk. Denk aan het bekende verschil tussen ‘recht hebben’ en ‘recht krijgen’. Het afdwingen kan ook veel tijd vergen en grote kosten meebrengen. Zo mogelijk nog erger is de grote schade in de onderlinge verhoudingen die met het afdwingen van recht gepaard kan gaan. Je moet vaak met elkaar verder, nu of straks, en dat is zeker het geval in ons kleine land. Juist die relationele schade maakt dat partijen ervan afzien om nakoming te vorderen. Liever geen of gedeeltelijke nakoming dan een breuk in de verhouding met de wederpartij.

Dat zie je het sterkst bij de relatie tussen arts en patiënt en bij een vergelijkbare relatie tussen partijen met een zeer ongelijke positie. Ook in de verhouding tussen de burger en de overheid speelt het veelvuldig. In het laatste geval is dat extra vervelend omdat de overheid een niet te vertrouwen contractspartij is. Per definitie. Niet omdat overheidsdienaren onbetrouwbaar zijn, maar omdat zij dienend zijn aan politici die steeds politieke wind moeten blijven vangen om in de gunst te blijven van het wispelturige electoraat. Politici worden daardoor steeds in de verleiding gebracht om te laveren tussen de gemaakte afspraken door, of er dwars doorheen.

Bedrijven komen afspraken vaak ook na om reputatieschade te voorkomen. Natuurlijke personen zijn niet noodzakelijk beter dan bedrijven, maar zij hebben vaak nog een geweten waarop een beroep kan worden gedaan als een afspraak niet wordt nagekomen. Overheden en bedrijven zijn geen natuurlijke personen; die hebben geen geweten.

Alleen naïeve mensen geloven in de goede afloop van een afspraak. Het probleem zit in de weerstand die we hebben tegen argwaan, de tegenpool van naïviteit. Je krijgt geen compliment als je zegt argwanend te zijn. Erger nog: er zijn filosofen en theologen die beweren dat mensen geneigd zijn tot het goede. Ik beweer niet dat mensen per se kwaad willen, maar wel dat ze veelvuldig onder een afspraak uit proberen te komen, goedschiks, maar heel vaak ook kwaadschiks.

Het is dus zaak om bij het maken van een afspraak een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de waarschijnlijkheid dat de afspraak inderdaad vanzelf wordt nagekomen, dit door naar beste weten de andere agenda’s van de wederpartij te onderkennen.

Hoe?

Mijn hond snuffelde altijd goed aan andere honden. Instinctief. Maar mensen blijken dat instinct kwijt te zijn. Wij moeten het doen met geschoolde argwaan, getraind door verstand en ervaring. Dat lijkt vanzelfsprekend. Maar doen wij dat als mensen wel genoeg? Nemen we de tijd en de moeite om ons echt grondig te verdiepen in de motieven van de wederpartij bij de afspraak? En hebben we ons een goed beeld gevormd van de diverse andere agenda’s van de wederpartij? En van de nu misschien al te bespeuren verleidingen om de te maken afspraak niet na te komen als dat te zijner tijd niet goed uitkomt?

Dan doemt meteen de vraag op of er dan, bij niet-nakoming, nog iets te heronderhandelen valt. Onderhandelen zonder een onderhandelingspositie leidt tot niets; moeten we bij het maken van de afspraak alvast een fall back-positie inbouwen?

Recht en macht zijn elkaars complementen. Ik ben blij dat ik in een rechtstaat leef. Maar het is misleidend te denken dat in een rechtstaat het recht altijd zegeviert over macht. Helaas. We moeten argwanend zijn, en als een hondje lang en grondig snuffelen aan de wederpartij.

Wee, o wee de goedgelovigen.

Steven Schuit

Advocaat; hoogleraar Corporate Governance Nyenrode Business Universiteit; commissaris; auteur van The Chairman makes or breaks the board (2010)

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Marian Joëls

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Marian Joëls. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Stress is goed!

Stress staat in een kwade reuk. Men líjdt aan stress, vooral werkstress, relatiestress of, nog erger, posttraumatische stress. Maar kan een mens goed functioneren zonder stress? Het antwoord is: nee.

Iedere potentiële bedreiging uit onze omgeving ervaren we – subjectief – als stress. Als reactie hierop maakt de bijnier twee hormonen aan, adrenaline en cortisol. Deze hormonen bereiken alle organen, maar doen alleen iets in die cellen waar aan de buitenkant ook een ‘ontvangermolecuul’, een receptor, zit die het signaal doorgeeft aan andere delen van de cel. Adrenaline zorgt ervoor dat we meteen kunnen reageren als gevaar dreigt. Wanneer je net je teen op het zebrapad hebt uitgestoken en er komt een motorfiets de hoek om scheuren die je van de sokken dreigt te rijden, kun je maar beter meteen je been terugtrekken. Daar hebben we adrenaline voor, het hormoon dat direct energie geeft om te handelen. Het probleem is dat onze energievoorraad snel is uitgeput; die moet weer aangevuld worden. Dat is de taak van cortisol. Samen zorgen deze stoffen ervoor dat we met stress om kunnen gaan, niet alleen op het moment zelf maar ook in de periode erna. Zo kunnen we ons aanpassen aan veranderingen in de omgeving.

Beide hormoonsystemen hebben ook invloed op de hersenen. Adrenaline zorgt er indirect voor dat in de hersenen een andere stof, noradrenaline, wordt afgegeven; cortisol kan zelf de hersenen binnenkomen. En dat blijft niet zonder gevolgen, want onze hersenen werken anders na stress.

Onderzoek van de laatste tien jaar heeft aangetoond wat er precies in de hersenen gebeurt in de eerste uren na stress. Aanvankelijk zorgt met name noradrenaline dat hersengebieden die met emotie te maken hebben, sterk worden geactiveerd. Maar het is een kwestie van energieverschuiving binnen de hersenen: wat extra wordt geïnvesteerd in de emotionele gebieden gaat ten koste van de ratio. Hersengebieden die een rol spelen bij het nemen van beslissingen, bij sociaal gedrag of bij het plaatsen van gebeurtenissen in de juiste context worden direct na stress allemaal op een laag pitje gezet. Dat is ook wat je verwacht van stress; je richt je aandacht direct op het potentiële gevaar, voor een meer gewogen oordeel is domweg geen tijd. Verrassender is wat er gebeurt enkele uren na stress, door cortisol. Niet alleen zijn mensen dan ‘bijgekomen’ van de stress, ze hebben zelfs een betere rationele hersenwerking en minder activiteit in de emotionele hersenkernen dan bij een controlebehandeling.

Dit is natuurlijk allemaal onderzocht onder zeer gecontroleerde omstandigheden in het laboratorium. Ons dagelijkse leven zit wat gecompliceerder in elkaar. Toch kunnen deze inzichten wel degelijk betekenis hebben voor het leven van alledag. Wat te denken van een beurshandelaar die onder grote druk verstrekkende financiële beslissingen moet nemen? In laboratoriumcondities laten mensen direct na stress meer emotionele dan rationele argumenten meespelen bij financiële transacties; ze weigeren bijvoorbeeld een financieel aanbod als ze vinden dat een ander te veel geld krijgt in verhouding tot wat ze zelf ontvangen, terwijl ze objectief gezien zelfs met dat onrechtvaardige aanbod winst maken. Het omgekeerde gebeurt enkele uren na stress: dan accepteert men de winst, ook als dat betekent dat een ander nog meer winst maakt. Dit principe blijft waarschijnlijk niet tot het laboratorium beperkt. Misschien zou de wereld er anders uitzien als de handelaren op Wall Street ‘uitgestelde’ beslissingen hadden mogen nemen; gewoon, thuis op de bank, met een kopje thee erbij. Dan kun je blijkbaar beter leven met het idee dat je het zelf goed hebt maar een ander misschien nog iets beter. Een ander veld waar onze inzichten wel eens nuttig zouden kunnen zijn, is in de onderwijswereld. Begrijpen hoe scholieren informatie beter onthouden en hoe gestrest ze daar precies voor moeten zijn, kan helpen om effectief belangrijke informatie over te brengen.

Al deze inzichten gaan over de betekenis van huis-tuin-en-keuken-stress voor de hersenen. Wat traumatische gebeurtenissen of langdurige en oncontroleerbare nare situaties doen met je lichaam en geest, is een heel ander verhaal. Dát is de stress die we beschouwen als stress die slecht voor ons is.

Een journalist vroeg mij eens of ik zelf iets had aan deze inzichten over stress. ‘Hebt u minder last van stress?’ Ik vrees dat ik ontkennend moest antwoorden. Als ik een deadline probeer te halen, een subsidieaanvraag is afgewezen, als de dag te kort lijkt om alles af te ronden… dan spuit ook bij mij de adrenaline uit mijn oren. Maar ik weet beter! Daarom staat op mijn bureau een bordje met de tekst stress is goed. Voor het geval ik het mocht vergeten.

Marian Joëls

Hoogleraar Neurowetenschappen, UMC Utrecht Hersencentrum

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Henk van Os

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Henk van Os. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Kunst en Leven

Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen? Die vraag is voor mij een gotspe. Mijn vakgebied, de kunstgeschiedenis, heeft zozeer mijn leven bepaald, dat het bijna onmogelijk is om daar één inzicht uit te isoleren. Het heeft me al heel veel moeite gekost om als student mijn beleving van kunst in een wetenschappelijk kader te wringen, en ik koester nog steeds wantrouwen jegens collegae die in hun omgang met kunst niet verder zijn gekomen dan historisch mierenneuken. Het inzicht dat ik aan mijn luisterkijkers via de tv heb proberen over te dragen, is dat een ordelijke omgang met kunst (met behulp van kunstgeschiedenis bijvoorbeeld) je gelukkig kan maken, niet alleen vanwege het esthetisch genieten, maar ook omdat je op een heel indringende manier jezelf kan ontmoeten. Een kunstwerk is bovendien een heel bijzonder historisch feit, omdat het zijn eigen historiciteit overstijgt en daardoor behalve een uniek inzicht in de geschiedenis ook vreugde en troost geeft. Het is te veel, wat ik schrijf, maar minder is het niet, wanneer je al in je puberteit je hart hebt verpand aan de omgang met kunst.

Henk van Os, Universiteitshoogleraar, Universiteit van Amsterdam; voormalig directeur Rijksmuseum

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Anna Dijkman

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze pagina vind je het antwoord van Anna Dijkman. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Ons falende denken

Daar zaten we dan, in een huis dat ‘onder water’ stond. Gekocht in een periode die later toch niet het ‘herstel’ van de woningmarkt aankondigde, maar slechts een minieme opleving bleek te zijn. We zouden er een paar jaar later nooit meer voor krijgen wat we zelf betaald hadden. Toen deed zich de kans voor om een huis in dezelfde buurt te kopen dat tweeënhalf keer zo groot was. Voor een prijs waar we een paar jaar eerder keihard om zouden hebben gelachen om vervolgens achterdochtig te vragen of de fundering misschien verrot was.

Maar toch.

Van het bepalen van de vraagprijs van ons oude huis kreeg ik buikpijn. Afstand doen van een huis voor minder dan je zelf hebt betaald, voelt alsof je het in de uitverkoop doet. Afdankt. Als potentiële kopers het dan ook nog waagden een bod onder die vraagprijs te doen, voelde ik me persoonlijk beledigd. Na de verkoop zou een schuld overblijven waar geen bezit meer bij hoorde. Ons spaargeld was weg. Eigenlijk voelde het helemáál niet goed. Misschien moesten we het maar niet doen?

En toch was het heel verstandig dat onderbuikgevoel te negeren. Ik was namelijk ten prooi gevallen aan een valkuil van het intuïtieve denken.

Lange tijd is door sociale wetenschappers aangenomen dat de mens over het algemeen een rationeel wezen is. Aan irrationeel gedrag zouden emoties zoals angst, verdriet, liefde en boosheid ten grondslag liggen. Economen geloofden in de homo economicus, de rationele beslisser die risico’s en kansen afweegt tegen de opbrengsten en zo de optimale beslissing neemt. Alleen weten we nu dankzij het werk van onder meer psycholoog Daniel Kahneman en zijn collega’s dat dat niet klopt. Mensen zijn irrationeel en maken stelselmatig denkfouten zonder dat daar specifieke emoties een rol bij spelen.

Om ons leven en de daarbij horende beslissingen makkelijk te maken gebruiken we de hele dag door heuristieken, vuistregels zo u wilt, en worden we verblind door vele biases. Zo zijn mensen bijzonder slecht in het voorspellen van de toekomst, het inschatten van kansen, het mentaal bijhouden van uitgaven en het onthouden van herinneringen. We overschatten onszelf, leggen allerlei onterechte causale verbanden, zien patronen in zo’n beetje alles, inclusief aangebrande tosti’s, houden vast aan bezit ook al is het verliesgevend en kunnen achteraf altijd precies aanwijzen waarom iets misging (vooral bij anderen). Kahneman beschrijft het allemaal in een geweldig boek (dat in de Nederlandse vertaling een betere titel heeft gekregen dan het origineel): Ons feilbare denken.

Maar nu terug naar dat huis. Mijn rationele besluitvorming werd namelijk gehinderd door verliesaversie.

Uit onderzoek waar Kahneman de Nobelprijs voor de Economie voor kreeg, blijkt – even kort door de bocht – dat mensen meer pijn voelen bij verlies dan ze vreugde voelen bij winst. Stel dat 100 euro winst +1 vreugde oplevert, dan zorgt 1 euro verlies voor -200 pijn. Het vooruitzicht op winst of verlies heeft invloed op gedrag. Om verlies te voorkomen gaan mensen bijvoorbeeld meer risico nemen.

Zo zijn in een dalende markt huizenverkopers bereid hun huis lang te koop te zetten. Ze blijven hopen op een hogere prijs door een aantrekkende markt. Het risico dat de markt nog verder instort en ze nog minder voor hun huis krijgen, nemen ze voor lief. In een opgaande markt staan huizen juist kort te koop. De verkopers gaan voor de snelle winst en accepteren een goed bod. Gek genoeg is dan vrijwel niemand bereid het risico te nemen het huis langer te koop te zetten om zo een nog hogere prijs te krijgen. Het risico op een dalende markt is dan ineens blijkbaar wél te groot.

De angst voor verlies houdt veel mensen gevangen in hun huizen. Maar als je het gaat uitrekenen, is verhuizen in een dalende markt eigenlijk niet zo’n gek idee. Ons nieuwe huis was zo fors in prijs gedaald dat we zelfs met een verlies op het oude huis nog steeds goedkoper uit waren dan we een paar jaar geleden in een stijgende markt waren geweest.

In dat nieuwe huis heb ik overigens zo’n beetje alle andere mogelijke denkfouten wél gemaakt: van een te optimistische planning rond de verbouwing en het overschatten van eigen klusvaardigheden tot het onderschatten van de extra kosten. En dan mezelf achteraf verwijten dat ik het had kunnen weten. Ik was immers op de hoogte van mijn falende, pardon, feilbare denken.

Anna Dijkman

Auteur van Psycholo-Geld (2012); hoofdredacteur van weblog DasKapital.nl; afgestudeerd psycholoog en journalist

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Jim Stolze

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze site vind je het antwoord van Jim Stolze. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Gered door de wekker!

Op mijn schrijftafel staat een kookwekker. Veel mensen denken dat-ie er staat ter decoratie, maar dan leg ik met veel plezier uit dat dit ooit mijn reddingsboei was en dat hij voor mij nog steeds dienstdoet als de ultieme productiviteitstool. Om dat uit te leggen moet ik eerst nog een paar jaar terug in de tijd.

In 2008 deed ik een experiment dat mij nog jaren zou achtervolgen. Als onderdeel van een breder onderzoek naar de gevolgen van de digitalisering bracht ik veertig dagen op rij door zonder toegang tot e-mail, internet, YouTube, Twitter, iPhone enzovoort. In eerste instantie hield ik alleen een (papieren) dagboekje bij voor mezelf, maar al snel begon de telefoon (een ouderwetse Nokia) te rinkelen. De radio was als eerste wakker. ‘Hij leeft al twee weken zonder internet, we zijn benieuwd hoe het met hem gaat. We hebben hem aan de lijn. Jim Stolze, hoe gaat het?’

Daarna volgden de kranten. Een paginagroot artikel in de Volkskrant waarin ik verklaarde ‘bevrijd te zijn van het leed dat e-mail heet’ bracht Nieuw Amsterdam op het idee om mijn dagboek en andere bevindingen te bundelen in het boekje Hoe overleef ik mijn inbox. De aandacht strekte zich zelfs helemaal uit tot en met cnn, waarna het experiment ook internationaal navolging kreeg.

Voor mij was het experiment altijd als eenmalig bedoeld, en al snel daarna vulde ik mijn dagen met het naar Nederland brengen van ted.com in de vorm van tedxAmsterdam.

Toch is er een truc die ik – exact vijf jaar na het verschijnen van het boek Hoe overleef ik mijn inbox – nog dagelijks gebruik en die ik daarom graag wil delen in deze editie van Nederland in ideeën.

Toen ik mijn gedachten rondom informatiestress, continue afleiding en inboxmanagement op papier zette, dacht ik echt dat we het dieptepunt qua communicatie wel bereikt hadden. Wat zat ik ernaast! De informatietsunami is inmiddels door alle denkbare dijken gebarsten. Anno 2014 lijkt niemand meer bezwaar te maken tegen overstromende inboxen. Sterker, met de vele Whatsapp-groepjes en eigen postvakken bij Facebook en Twitter krijgen we er alleen maar inboxen bij. De manier waarop mensen het hoofd boven water houden is het beste te omschrijven als ‘stream-management’. Een stream is een voortdurende aanlevering van informatie, net als bijvoorbeeld livetelevisie. Je inbox beschouwen als een stream betekent dat je alleen kijkt wat er bovenaan of als ‘ongelezen’ staat. De rest negeer je vanwege gebrek aan tijd (en focus, of verantwoordelijkheidsgevoel).

Door dit nieuwe communiceren en het overvloedig aanwezig zijn van informatie zien veel mensen hun effectiviteit verwateren. Vroeger was een opgeruimd bureau een teken dat je alles onder controle had en dat je uit pure verveling snel nieuwe klusjes ging zoeken. Tegenwoordig kun je met gemak de hele dag actief surfend doorbrengen, de illusie creërend dat je goed bezig bent, terwijl je eigenlijk niets nieuws produceert.

Om mijzelf daartegen te beschermen zet ik mijn kookwekker in. De truc komt voort uit een oude blogpost van Merlin Mann, bekend van zijn website 43folders.com.

Het werkt heel simpel: ik ga zitten aan mijn bureau en bepaal wat ik die ochtend of middag gedaan wil hebben. Dat kan zijn een nieuw hoofdstuk aan mijn boek toevoegen, een presentatie in elkaar knutselen of bijvoorbeeld een memo opstellen.

Vervolgens zet ik alles uit (e-mail, internet, telefoon etc.) en stel de wekker in op twaalf minuten. Het zachte getik van de kookwekker zet mij automatisch in de schrijfstand en ik begin met schrijven. Als dan na twaalf minuten de wekker afgaat, mag ik mijn ‘beloning’. Dat kan zijn even een kopje koffie halen, of op een website of sociaal netwerk rondkijken. Na drie minuten gaat de wekker weer en begint een nieuwe sessie van twaalf minuten werktijd.

Als je dit vier keer herhaalt, zul je zien dat je een extreem productief uurtje achter de rug hebt. Niet alleen omdat je jezelf hebt verplicht om te singletasken, het is volgens onderzoekers ook nog eens een betere manier om je hersenen in te zetten.

Na lezing van deze tip heb je volgens mij dus de keuze uit twee vervolgacties:

- Je kunt via Google gaan zoeken naar ‘kookwekker’ en ‘productiviteit’. Je zult er dan achter komen dat deze techniek officieel de ‘Pomodoro-techniek’ genoemd wordt. Bedacht in de vorige eeuw door de Italiaan Francesco Cirillo. En dat er inmiddels een hele cult is ontstaan rondom dit gedachtegoed, inclusief bijpassende scoreformulieren en ondersteunende software.

- Óf je kunt nu naar je keuken (of bedrijfsrestaurant) toe lopen – op zoek naar een kookwekker. Zet hem dan op twaalf minuten en kijk wat er uit je vingers komt. Als het je bevalt, mag je van mij daarna weer even drie minuutjes verder lezen in dit boek.

Jim Stolze

Ambassadeur van ted.com en tedxAmsterdam; presentator van het tv-programa Toekomstmakers (rtl 7); schrijver van het boek Uitverkocht! (2011)

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Victor Mids

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze site vind je het antwoord van Victor Mids. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Inzichtelijke illusies

De Amerikaanse illusiebouwer Jim Steinmeyer schreef ooit: ‘Als goochelaar bewaak je in feite een lege kluis.’ Daarmee doelde hij op het gegeven dat de meeste goochelgeheimen (tegen betaling) vrij toegankelijk zijn. Online valt tegenwoordig zowat elke truc te kopen.

Nou wil dat niet meteen zeggen dat mijn geheimen als illusionist geen waarde hebben, maar de kwetsbaarheid die Steinmeyers uitspraak blootlegt, herinnert me er wel altijd aan dat het bij illusies primair niet om de achterliggende methode gaat, maar om de beleving, de emotie die de illusionist bij zijn publiek weet los te maken.

Om die reden zijn goochelgeheimen dan ook niet heilig voor mij, zeker niet als er achter deze geheimen mooie inzichten schuilen. Het is fascinerend te ontdekken hoeveel kennis goochelaars en illusionisten door de eeuwen heen op empirische wijze hebben verzameld. Kennis die vanwege de aard van het beroep lang niet altijd bij het grote publiek terecht is gekomen. Maar wat voor methoden gebruikt een illusionist nou eigenlijk om u op het verkeerde been te zetten? En interessanter nog: wat kunnen we daarvan leren?

Laten we als voorbeeld kijken naar de ‘zwevende kogel’-illusie van David Abbott, een collega en tijdgenoot van Houdini. Bij deze act liet Abbott een loodzware, metalen kogel ter grootte van een voetbal sierlijk door de zaal zweven, voor het publiek even prachtig als onmogelijk.

Het geheim – daar gaan we al – achter deze zwaartekracht-trotserende illusie zat hem erin dat de kogel op vernuftige wijze aan een voor het oog onzichtbare draad vastzat. De kogel zelf was gemaakt van piepschuim, bespoten met zilverlak. Na afloop van de illusie, als Abbott het applaus in ontvangst nam, liep hij naar de hoek van de coulissen om de kogel (nog net binnen oogzicht van het publiek) weg te leggen. In het geheim ruilde hij hem daar razendsnel om voor een tweede, identieke zilveren kogel die wél massief was. De voorstelling ging verder en aan de kogel werd geen aandacht meer besteed. Maar de ogenschijnlijk nutteloze verwisseling bleek in feite een meesterzet van de geniale Abbott. In het publiek zat namelijk altijd wel een nieuwsgierige toeschouwer die zodra zijn gastheer de zaal had verlaten, stiekem het podium op sloop om de kogel te onderzoeken. De goochelaar had deze immers ‘per ongeluk’ in het zicht gelaten – wat een buitenkansje! Bij nadere inspectie kwam de toeschouwer er vervolgens zelf achter dat het hier echt om een ongeprepareerde en bovendien loodzware kogel ging. Hier moest wel magie in het spel zijn geweest!

Het voorspelbare gedrag en de daaropvolgende totale verbijstering van de toeschouwer laat mooi zien dat de beste leugen die er bestaat, de leugen is die iemand tegen zichzelf vertelt. Omdat de toeschouwer het idee had dat hij zélf op het idee was gekomen de kogel te onderzoeken (en daarmee de goochelaar te slim af was), leek ook de conclusie die hij uit zijn onderzoek trok waterdicht.

Eenzelfde toepassing van dit concept zien we bijvoorbeeld terug bij Inception (2010), de kaskraker van topregisseur Christopher Nolan. In deze film moet Leonardo DiCaprio proberen zijn tegenspeler het bedrijf van zijn vader te laten opsplitsen, een onmogelijke opgave. Het lukt Leonardo uiteindelijk toch. Hoe? Door zijn tegenspeler (weliswaar via zijn slaap, een techniek waar ik zelf helaas alleen maar van kan dromen) het idee te geven dat hij zélf op de gedachte is gekomen dat het beter is als hij het bedrijf van zijn vader opsplitst.

Ook in het dagelijks leven kan zo’n concept van meerwaarde zijn. Of u nou als marketeer uw reclameboodschap wilt laten aanslaan, of als arts uw patiënt de beste behandelkeuze wilt laten maken: geef de persoon in kwestie altijd het gevoel dat hij zelf tot de gewenste conclusie is gekomen. Zo’n conclusie zal vervolgens niet meer snel in twijfel worden getrokken.

Tot slot: diegenen onder u die het nu jammer vinden te weten dat Abbotts zwevende kogel aan een draadje hing, adviseer ik op YouTube eens ‘Flying David Copperfield’ op te zoeken. Houd daarbij in het achterhoofd dat Copperfield wellicht dezelfde methoden gebruikt als Abbott, en merk op dat die realisatie waarschijnlijk niks afdoet aan uw beleving van de act. Het illustreert mooi dat als de schoonheid van een dergelijk hoog niveau is, de bij een truc zo vaak gestelde vraag ‘Hoe doet hij dat?’ er weinig meer toe doet, en er slechts een adembenemende illusie overblijft, die resoneert in het publiek. En met dat inzicht kunnen we van illusies zowel blijven leren als genieten.

Victor Mids

Psychologisch illusionist; afgestudeerd arts; oprichter Neuromagic

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

Het inzicht van Wende

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze site vind je het antwoord van Wende. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ van de tentoonstelling.

Festina Lente

In een documentaire over zijn werk vertelt theaterregisseur Robert Wilson dat hij als klein jongetje flink stotterde. Er was maar weinig aan te doen, geen behandeling sloeg werkelijk aan, totdat eens een logopediste hem dwong zo traag mogelijk te spreken. Aldus genas hij langzamerhand van zijn handicap. Het proces van dit vertragen had, zei Wilson, de vruchtbare bodem gelegd voor zijn manier van theater maken.

Wat mij opvalt aan begaafde performers en acteurs zoals bijvoorbeeld Tilda Swinton of Tom Waits: ze lijken nooit haast te hebben. Ik durf te beweren dat de groten der aarde de tijd in handen hebben omdat zij bewust of onbewust het vermogen bezitten zich ongelofelijk goed te concentreren. En doordat zij de tijd beheersen, kunnen ze mij de tijd doen vergeten.

Een aantal jaren nadat ik was afgestudeerd aan de kleinkunstacademie vertelde een van mijn leraren dat hij mij tijdens mijn auditie voor de opleiding het liefste had willen vastbinden aan een stoel. Dit was geenszins een impertinente opmerking van de goede man; hij schetste daarmee slechts het ongeleide projectiel dat ik toentertijd was. Omdat mijn energie alle kanten op vloog, kwam het lied maar met moeite over het voetlicht. Gelukkig hebben ze me toch aangenomen en het heeft me jaren aan training gekost om gericht een verhaal te kunnen vertellen op een podium.

Simpel gezegd hebben ze me op de academie geleerd hoe ik me moest concentreren. Ik moest leren de afleiding van datgene wat op dat moment niet ter zake deed, buiten te sluiten. Ze trainden me volledig aanwezig te zijn in de situatie. Daarvoor moest ik de tijd opnieuw leren kennen. Om dit te bereiken moest ik opnieuw in mijn lichaam leren wonen; ik moest opnieuw leren ademen, opnieuw leren staan en opnieuw leren lopen, stap voor stap. Ik moest de tijd toe durven laten en de tijd durven nemen. Hierdoor ontstond ruimte om te kunnen luisteren; om een situatie te zien, te horen, te voelen zoals die is en om van daaruit te handelen.

Concentratie is een basisingrediënt voor magie. Door concentratie komt een verhaal directer en transparanter bij het publiek binnen omdat er geen ruis op de lijn zit. Het publiek wordt meegezogen in deze focus, het wordt meegenomen in wat er verteld wordt en komt zo meer in contact te staan met het verhaal. Als het mij als performer lukt om in volle concentratie op het podium te staan, kan ik het publiek maximaal betoveren.

In het dagelijkse leven laat ik mij graag verlokken door allerlei vormen van afleiding. De uitbundige prikkels van buitenaf zijn veelal een perfecte aanleiding om vol de versnippering in te duiken. De komst van het internet en de mobiele telefoon hebben het scala van potentiële verstrooiing nog eens aanzienlijk vergroot. Het gevaar dreigt dat ik uiteindelijk opgefokt, gehaast en oppervlakkig maar wat langs alle gebeurtenissen fladder en dat alles tezamen verwordt tot een brij vage voorvallen waar ik toevallig ook bij betrokken ben geweest.

Ik ben ervan overtuigd dat een verhoogde aandacht de kwaliteit van de verbinding met een situatie verbetert. De momenten waarin ik volledig aanwezig ben geweest staan mij het meest helder voor de geest en ze hebben mij geworteld. Ik word me meer en meer bewust van de enorme hoeveelheid keuzes die er te maken zijn op een dag, in een week, in een jaar, in een leven.

De technieken die ik leerde vanuit mijn verlangen op een podium te staan, zijn ook daarbuiten toepasbaar. Het helpt me om in de achtbaan van impulsen contact te maken met het moment en mijn omgeving; het verrijkt mijn beleving in de tijd en met mensen.

Wende

Zangeres, performer en theatermaker; winnares van o.a de Annie M.G. Schmidtprijs en de Gouden Harp; laatste album: Last Resistance (2013)

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie