Ontdek wanneer het handig is om je van de domme te houden

Dommetje spleen
Waarom het slim kan zijn om je van de domme te houden

Stel je voor, je zit in een overleg met je collega’s en je baas. Er komt een probleem ter sprake waar jij het antwoord op weet, maar je wacht nog even af wat je baas zegt. Je merkt dat hij (of zij) geen idee heeft. Of, nog erger, dat hij een totaal verkéérd idee heeft.

Vertel je nu de oplossing die jij weet?

Het voordeel als je dat doet is dat je het probleem oplost én je capaciteiten laat blijken; het nadeel is dat je sympathie verliest. Maar weinig bazen vinden het leuk om ingewreven te krijgen dat ze minder weten dan hun ondergeschikte. Mensen die lager zijn in status houden dan ook vaak maar hun mond, ook als ze nuttige inzichten hebben. Het is kennelijk een oermechanisme, want apen doen het ook. Zo verbergen resusapen hun inzicht in de oplossing van een probleem als er een hoge-status-aap in de buurt is, terwijl ze het probleem fluks oplossen als ze onder gelijken zijn. Verondersteld wordt dat ze hun talent verhullen om de hogergeplaatste niet te provoceren. Hierdoor worden conflicten voorkomen en wordt de sociale orde niet verstoord. Onderzoekers dachten ooit dat de lagergeplaatste apen minder slim waren, maar zo simpel is het dus niet. Ze zijn even slim, ze zijn alleen minder dominant.

Ook bij mensen lijkt vooral dominantie de rangorde te verklaren. Mensen die in een groep veel aan het woord zijn, worden gezien als bekwamer; deze mensen zijn feitelijk niet bekwamer, maar ze scoren hoog op dominantie en andere leiderschaps-gerelateerde kenmerken. In een groep nemen ze als eerste het woord en maken snel oogcontact met anderen. Ze hebben relatief veel zelfvertrouwen en ambitie en ze tonen meer extravert en assertief gedrag; ze zijn besluitvaardig, nemen makkelijk de leiding, gebruiken veel ruimte in hun lichaamstaal, gedragen zich mannelijk, kortom: ze hebben meer testosteron.

Minder dominante deelnemers beperken hun spreektijd, zelfs als ze externe feedback krijgen dat ze belangrijke dingen zeggen. Ze geven vaak niet meteen hun oplossing voor een probleem, maar wachten eerst wat anderen zeggen. Hierdoor lijken ze minder slim, terwijl ze enkel minder dominant zijn. Ze gaan pas meer praten als de dominantere deelnemer vaker zijn mond houdt. Hun belangrijkste drijfveer is het beschermen van de relatie; dat doe je door nooit slimmer te zijn dan een hogergeplaatste.

‘Playing dumb’ – niet laten blijken wat je weet en kunt – komt mede hierdoor bijna net zoveel voor als zelfpromotie (jezelf verkopen door je kwaliteiten juist op te blazen). Het laatste wordt vaker gedaan door mensen met veel zelfvertrouwen en door mannen, het eerste vaker door mensen met weinig zelfvertrouwen en vrouwen, zij zijn er meer op gericht om aardig te worden gevonden dan bekwaam – en aardig ben je als je de ander zijn superioriteit en zijn gelijk gunt.

Dat gebeurt niet alleen op het werk. In een gezelschap laten vrouwen bijvoorbeeld hun man verhalen vertellen en zijn kennis etaleren, zonder hem te corrigeren als hij zich vergist: ‘Laat die man nou maar…’ Ook laten ze hun man soms winnen met spelletjes:

hij is blij als hij wint, zij is blij als de sfeer goed is. Bij afspraakjes verzwijgen ze hun titels en downplayen hun opleiding, salaris of expertise; potentiële geliefden kunnen immers afknappen op een vrouw die slimmer is of meer verdient dan zijzelf. Mannen die laag staan in de pikorde vertonen hetzelfde gedrag in de interactie met hogergeplaatste seksegenoten; zij laten bijvoorbeeld hun baas winnen met golf.

Behalve het beschermen van de relatie zijn er nog andere strategische redenen om dommetje te spelen. Door zogenaamd niet te weten hoe je een vervelend klusje aanpakt (kopieerapparaat vullen met inkt of papier, nieuwe apparaten aansluiten), krijg je sneller hulp van een redder die graag zijn talent op dat vlak demonstreert. In de sport zijn er nog meer technieken, bijvoorbeeld hustling: in de voorronde van een wedstrijd opzettelijk slecht spelen om de tegenstander te verleiden meer geld in te zetten (waarna je wint en meer verdient). En bij sandbagging speel je in de voorronde beneden je niveau zodat de tegenstander denkt: dit wordt een eitje – en niet is voorbereid op de overdonderende aanval die je daarna doet.

Kortom, het kan om vele redenen heel slim zijn om dom te doen.

Dit komt uit Collega’s en andere ongemakken: De psychologie van de werkvloer van Roos Vonk

Ontdek hoe je vrienden maakt door anderen af te zeiken

Balans
Hoe je vrienden maakt door anderen af te zeiken

Stel je gaat lunchen met je nieuwe collega. Je mag hem graag. Pratend over het werk en jullie baas, zegt hij dat hij jullie baas een kei vindt en onder de indruk is. Nu wil het geval dat jij de baas een domme oen vindt. Volgens de balanstheorie heb je nu een probleempje: in de driehoek jij-collega-baas is er een + tussen jou en de collega (je mag hem), een + tussen de collega en de baas (hij is onder de indruk), maar een – tussen jou en de baas. Dit creëert onbalans en dat vinden mensen mentaal lastig. Je kunt dit op drie manieren oplossen:

1 je collega overtuigen dat de baas niet deugt (+ wordt dan –);

2 besluiten dat je collega minder leuk is dan je dacht (idem);

3 besluiten dat je je baas blijkbaar hebt onderschat (– wordt dan +).

Als je één van deze drie dingen doet, is de driehoek weer in balans. Een driehoek met drie plussen is in balans (jij mag je collega en jullie zijn allebei dol op de baas) en een driehoek met één plus en twee minnen ook, bijvoorbeeld: jij mag je collega en samen haten jullie de baas; of jij haat je collega én je baas, en zij zijn dol op elkaar. Dit klopt ook: min x min = plus.

Volgens de balanstheorie streven mensen naar balans in dit soort driehoeken. De derde ‘poot’ van de driehoek kan een andere persoon zijn, zoals hier, maar het kan ook gaan om een film, een cursus, een kledingstuk, een politieke overtuiging: alles waar je een mening over kunt hebben. Bijvoorbeeld: jij vindt dit een geweldig boek en jouw collega, die je graag mag, vindt er niks aan.

Ai, onbalans. Je collega vindt dit boek ook geweldig: mooi, everybody happy.

Wanneer je iemand nog niet goed kent, wordt je indruk van diegene ook beïnvloed door diens meningen. Het aantal afwijkende meningen van de ander heeft zelfs een direct evenredig negatief effect: hoe meer verschillende meningen jullie hebben, hoe minder je de ander mag. Heeft je nieuwe collega dezelfde meningen als jij, dan is de kans groot dat je positief over hem denkt. Nu blijkt uit onderzoek dat het kan uitmaken of je allebei vóór of tégen iets/iemand bent. Vind je allebei je baas oké, dan is dat goed voor jullie verstandhouding, maar nog beter is als je hem allebei níét oké vindt. Een gedeelde afkeer schept een sterkere band dan een gedeelde voorkeur. Dit kan ook het bindende effect van roddelen verklaren.

De verklaring voor de extra band die wordt gesmeed via een gedeelde afkeer, is dat we het uiten van negatieve gedachten of gevoelens ervaren als meer onthullend: als je iets of iemand oké vindt, zeg je daarmee in feite niets bijzonders. Het kan zelfs sociaal wenselijk zijn om positief te doen. Zeg je daarentegen dat je iets níét oké vindt, dan laat je meer van jezelf zien. Dit geeft mensen het gevoel dat ze meer over je weten en je werkelijke gevoelens kennen, en dat bevordert de sympathie en de ‘klik’ – als ze het met je eens zijn tenminste. Overigens werkt dit alleen bij gematigde positieve versus negatieve meningen; extreme meningen (‘mijn baas is de allerbeste baas van de wereld!’ of ‘de grootste klojo die er bestaat!’) worden sowieso al gezien als onthullend, dus daar treedt het verschil tussen positief en negatief niet op.

Mensen hebben vaak het idee dat het goed is om zich positief uit te laten: als je negatief praat lijk je zo’n zeikerd. Maar de resultaten van dit onderzoek suggereren dat je juist meer sympathie kunt winnen door je negatief uit te laten, althans wanneer je enigszins kunt vermoeden dat je aversie gedeeld wordt. Je loopt natuurlijk een risico, want als dat niet het geval is, is de driehoek uit balans: als je je uitspreekt tégen iets waar de ander vóór is, kun je juist enorm kelderen in sympathie. Maar bij goed afgestemd gebruik is de afzeik-aanpak des te effectiever om een band te smeden en bovendien veel plezier te hebben.

Alice Roosevelt Longworth (de dochter van de president) had in elk geval veel vrienden, en van haar is de uitspraak: ‘Als je over niemand iets aardigs te zeggen hebt, kom dan naast mij zitten.’

Dit komt uit Collega’s en andere ongemakken: De psychologie van de werkvloer van Roos Vonk.

Ontdek waarom machtige mensen weinig realistisch zijn

Optimisme
De mensen met de meeste invloed hebben de minst realistische kijk op de wereld en zichzelf

Hoe groot schat je de kans in dat je, vergeleken met anderen, ooit grote financiële zorgen zult hebben? De kans dat je een ernstig verkeersongeluk krijgt? Of dat je gaat scheiden?

Als ik dit soort vragen bij een lezing stel aan de toehoorders, blijkt steevast dat ze gemiddeld hun kansen op nare gebeurtenissen lager inschatten – vergeleken met de andere toehoorders. En dat kan natuurlijk niet: niet iedereen kan minder rampspoed meemaken dan iedereen. Vandaar dat dit ‘onrealistisch optimisme’ wordt genoemd.

Het verschijnsel is vooral sterk als het gaat om gebeurtenissen waarop we zelf invloed menen te hebben, zoals een verkeersongeval of scheiding. Daar ben ik toch zeker zelf bij, denken we dan. Maar we overschatten onze mogelijkheden om onze menselijke gebreken en de pech die bij het leven hoort te overwinnen.

Nog sterker is deze zelfoverschatting bij mensen met macht.

Wanneer je mensen macht geeft – of dat nu verdiend is op basis van hun prestaties of gewoon willekeurig, op basis van toeval – neemt hun zelfvertrouwen toe. Ze worden nog optimistischer, hun stemming wordt beter, ze worden wat losser, ongeremder en doeneriger: huppekee, komt goed. Ze denken minder na over details, obstakels of over wat er mis kan gaan: dat zien we dan wel weer.

In zekere zin is het nuttig dat machtige mensen meer op de grote lijn zijn gericht en meer geneigd zijn om knopen door te hakken. Als je overal beren op de weg ziet, loop je nooit voorop.

Maar er is een keerzijde: de effecten van macht op optimisme en zelfvertrouwen impliceren dat de mensen met de meeste invloed de minst realistische kijk hebben op de wereld en op zichzelf. Dit verontrustende gegeven zien we helaas geregeld geïllustreerd.

Zo is gebleken dat de overheid miljarden verspilt aan ICT-projecten. Een ICT-project is zo’n ‘detail’ waar je je in een hoge functie niet om hoeft te bekommeren; je bent dan meer gericht op waar we naartoe moeten en waarom, niet op het hóé. De woorden ‘innovatie’ en ‘nieuwe technieken’ klinken goed, en geen van onze bewindslieden hoeft te weten hoe de techniek precies werkt. Met dezelfde visionaire blik vindt een meerderheid van de Tweede Kamer dat de OV-chipkaart achterhaald is (de poortjes doen het nu net – ook zo’n ‘detail’ waar je als leider je hoofd niet over gaat breken) en dat we ‘gewoon’ volgend jaar een vernieuwd systeem moeten invoeren om met mobiele telefoon en bankpas te reizen.

Vermoedelijk hebben politici ook de indruk dat een beetje voortvarendheid goed overkomt bij de kiezer. En natuurlijk, je hebt als leider een visie nodig op waar je naartoe wilt. Maar met een beetje aandacht voor de weg ernaartoe en alles wat zich onderweg kan voordoen, kun je de gebruikelijke debacles van overheidsprojecten – die altijd weer aanzienlijk duurder zijn en langer duren dan gepland – voor een belangrijk deel voorkomen. Machtige mensen luisteren te weinig naar twijfelende tobbers, voor een portie gezond realisme als aanvulling op hun grootse toekomstvisie.

Uit: Collega’s en andere ongemakken: De psychologie van de werkvloer van Roos Vonk.

Hoe meer chocola, hoe zoeter je baby?

Ontdek waarom de feiten over zwangerschap leuker zijn dan de fabels

Is het echt zo dat een puntige buik op een jongen duidt en veel misselijkheid op een meisje? Krijgen dunne vrouwen vaker een meisje? En hebben chocoladeliefhebbers meer kans op een rustige baby?

Pincott maakt een fascinerende tour langs de vaak onbekende en soms merkwaardige wetenschap van zwangerschap. Op nuchtere en humorvolle wijze beantwoordt ze vragen zoals: Waarom vinden veel zwangere vrouwen dat hun partner stinkt? Hoe komt het dat veel vaders dikker worden tijdens de zwangerschap van hun partner? En waarom is een gigantisch hoofd bij een baby, ondanks dat het er misschien verontrustend uitziet, juist een goed teken? Het resultaat is een vermakelijk en spitsvondig boek voor iedereen wiens interesse wat verder gaat dan de gebruikelijke: ‘Je baby heeft nu de grootte van een [vul exotische vrucht in]’.